Kaartje leggen
Gepost door jorrit in Fictie op 23 maart 2003Het was muf en rook er naar urine. Ik zat in een versleten crapaud kaartje te leggen met een invalide man.
“Kom eens dichterbij”, lispelde hij. Ik boog voorover, zodat hij de kans kreeg om in mijn oor te fluisteren.
“Die man daar is een verrader”, zei hij en wees naar iemand, die voorover gebogen zijn veters aan het strikken was. “Dadelijk hang ik je aan je veters op”, riep de invalide man.
De aangesprokene keek schichtig naar ons en verdween. Ik legde een kaart neer en won de pot.
“Verdomme”, zei de invalide man, “ik begin te geloven dat jij ook met de vijand heult.”
Hij bewoog neurotisch zijn rolstoel heen en weer. Ik zweeg, want dat was wel zo beleefd. Hij kalmeerde en we vervolgden ons spel.
“We hebben ze mooi te pakken gehad, daar, hè?”, grijnsde hij.
“Zeker, zeker, ongetwijfeld”, mompelde ik.
“Jij was ook zo dapper - ik was blij dat ik zo’n vriend aan mijn zijde had. Dat kan ik mij herinneren”, zei hij en keek alsof zijn geheugen een zeef was geworden.
“Dat is nu helemaal verdwenen”, zei ik.
“Ach, kom, volgens mij ben je nog net zo dapper”, zei hij vergoelijkend.
“Nee, ik ben je vriend niet meer”, ageerde ik, “dat bedoel ik ermee!”
Ik liep het revalidatiecentrum voor oorlogsveteranen uit. De invalide man keek treurig uit het raam. We hielden nog wel jarenlang telefonisch contact, totdat hij stierf. Hij belde toch op rare uren.
