Koffietijd
Gepost door jorrit in Fictie op 12 maart 2006De pendelklok slaat het half uur. Het is half elf; koffietijd. Ik sta in de keuken en schenk de koffie in.
“Doet u nog suiker bij uw koffie, moeder?”, roep ik.
Het blijft stil. Ik zet de koffiepot neer en loop naar de woonkamer. Als ik binnenkom, zie ik dat ze met haar rechterhand naar haar hart grijpt.
“Jongen, je laat me schrikken!”
Ze kijkt me met grote ogen aan. Haar altijd bleke gezicht is even nog wat bleker.
“Sorry, mam. Ik wilde weten of u suiker in uw koffie wou.”
Haar gezicht ontspant weer.
“Graag jongen, maar je moet me niet meer zo laten schrikken.”
Ze draait haar hoofd van me af en kijkt naar buiten. Ik volg haar blik, maar bedenk me dan dat de koffie koud wordt.
“Oké”, zeg ik.
Terug in de keuken doe ik twee schepjes suiker in haar koffie, roer het even en zet vervolgens de kopjes samen met een schaaltje petitfours op het blad. Om haar niet opnieuw te laten schrikken, rammel ik af en toe met de kopjes, terwijl ik naar de woonkamer terugloop.
“De koffie!”, zegt ze verheugd. Ze pakt met haar handen de leuningen van haar stoel beet om op te staan, maar ze bedenkt zich op het laatste moment. Vervolgens opent ze een laatje naast haar en begint daarin te rommelen.
“Zo”, zeg ik. Ik maak plaats voor het blad op het kleine tafeltje en laat mij vervolgens naar achteren vallen in de stoel waar pappa vroeger zat. Hij ruikt nog steeds naar zijn sigaren.
“Zoekt u iets?”, vraag ik. Ze blijft driftig doorrommelen.
“Ach, waar is ’t toch?”, zegt ze geïrriteerd. Dan stopt ze en zakt terug in haar stoel. Voor een moment kijkt ze mij vragend aan. Plotseling graait ze onder haar been en haalt daar een wit, cilindervormig doosje te voorschijn.
“Je medicijnen?”, vraag ik.
Ze buigt naar voren en houdt het doosje boven haar kopje. Vervolgens drukt ze en twee zoetjes plonsen in haar koffie.
“Ma!”, roep ik, “Ik had al suiker bij de koffie gedaan!”
Ze kijkt verontwaardigd op.
“Dat had je me dan wel mogen zeggen, jongen.”
“Ik vraag het nog net aan u!”
“Ach, sorry, jongen. Ik ben tegenwoordig zo in de war.”
Ze kijkt van me weg en zucht. Ik zie een voorzichtig traantje in haar ogen glinsteren.
“Het is niet erg, moeder.”
Ze haalt haar neus op. Haar handen beginnen te trillen. Het traantje biggelt nu over haar wangen.
“Toen je vader nog leefde”, begint ze.
“Laat het gaan, moeder. Het is niet erg. Ik ben er nu voor u. Ik ga niet weg.”
“Ja, jij bent er nu”, fluistert ze. Ze glimlacht naar me. Ik glimlach terug. Dan zucht ze diep en pakt met haar beide handen, gekromd door de reuma, het kopje beet.
“Lekker, koffie”, zegt ze, terwijl ze terug in haar stoel zakt. “Had je er al suiker in gedaan?”
