1960 woorden

Lekker Ding - Hoofdstuk 2

Gepost door jorrit in Fictie op 2 december 2001

Hoofdstuk 2

De oude man schenkt een glas whisky voor me in. Voor ons zitten twee mannen, de chauffeur en een zeer gespierde vent in een klemmend pak. De oude man stelt ze aan mij voor: “Dat is mijn chauffeur, Harry, en dat is mijn bodyguard, Arie.” Harry knikt vriendelijk naar me via de achteruitkijkspiegel. Arie draait zich om en bekijkt me van top tot teen. Ik geef hem een gestoorde blik, maar die negeert hij. De oude heer glimlacht: “Excuseer de onbeschoftheid van Arie. Hij is erg betrokken bij mijn lichamelijke gesteldheid, zoals elke bodyguard hoort te zijn.”
Terwijl Arie zich afvraagt wat ik misschien wel onder mijn rokje verberg, snuift en smakt hij beestachtig. Wat een smeerlap, gelukkig zit ik hier niet voor hem. De oude heer ziet er voor zijn leeftijd knap uit. Rimpels hebben de vorm van zijn gezicht nog niet overwonnen en het enige wat hij probeert te verbergen is een klein buikje. Zijn haar is mooi glanzend wit. Ik mag de ouwe wel. Ik bedenk me opeens dat ik nog helemaal niet weet waar we naartoe gaan. “Waar gaan we eigenlijk heen?”
De ouwe haalt zijn rimpelige lippen al van elkaar, maar Harry is hem voor: “Naar de villa was het toch?”
Deze oude pik heeft personeel én een villa. Dat klinkt mij zeer goed in de oren. Misschien gaat deze verdoemde avond toch nog iets moois worden.
De heer kijkt me vragend aan, of ik het eens ben met zijn beslissing. Zachtjes zeg ik ja. Zwijgend rijden we naar zijn villa. Ik bedenk hoe ik dit ga aanpakken. Eerlijk gezegd vind ik hem wel charmant. Hij is nog niet bevangen door geilheid, terwijl zijn chauffeur en bodyguard al de hele bekleding onder hebben gekwijld. Waarschijnlijk komt dit ook met de jaren; seksuele bezinning. Toch is het vreemd dat hij mij dan heeft opgepikt. Wat zijn z’n plannen? Met een opa in bed duiken voor zijn geld zie ik nou niet echt zitten. Het is een kwestie van afwachten en elke avance ontwijken.
We rijden onder een immens hek door. Het hek is zwart en eindigt in vergulden ornamenten; de clichématige speerpunten. Niettemin een hek dat er mag wezen. Blijkbaar was het al van afstand elektrisch geopend, want met een metalige klank slaat het weer dicht. We rijden over een landgoed met een enorme bloemenpracht, wat nu niet goed te bewonderen valt, wegens het weinige licht. De auto zwenkt uit en we rijden een garage binnen. De garage staat vol met limousines en andere luxe wagens. De merken herken ik niet, maar het zijn geen wagens waarmee je boodschappen gaat doen bij de Albert Heijn, maar eerder gaat patsen met een hoop gebral bij een fancy club. De chauffeur draait het sleuteltje om en de motor kreunt bij het afkoelen. Harry stapt uit, loopt om de auto heen en doet de deur voor me open. Ik sla snel het glas whisky achterover en richt me op. Arie helpt de ouwe uit de auto te stappen. De garage ruikt naar uitlaatgassen. We lopen naar een lift en stappen erin. Tot nu toe is de verrassing nog aangenaam. De ouwe begint opeens te spreken, terwijl we wachten tot de liftdeuren opengaan: “Excuses, ik had me nog niet voorgesteld. Mijn naam is Guggenheimer, de heer Guggenheimer voor jou. Ik duld geen tutoyeren.”
Arie slaat zijn armen over elkaar en spant zijn schouderspieren. Dat moet me duidelijk maken dat Arie ook geen tutoyeren duldt. Overrompeld door deze golf van arrogantie vraag ik: “Je voornaam blijft geheim?”
Oeps, overtreed ik me daar toch even zijn eerste en tot nu toe enige regel. Ik verberg me achter mijn haar, zoals ik eerder bij Erik had geflikt en wacht op zijn reactie. Guggenheimer ontspant zijn gezicht en begint te schateren. Ik had de ernst van de zaak overschat, het blijkt een geintje te zijn. Arie lacht mee, terwijl hij me over mijn schouders wrijft, de oversekste Neanderthaler. Dat vuile gegniffel van je kan ik hebben, door Pokon gegroeide kleerkast, maar hou je handen thuis! Gelukkig redden de liftdeuren mij en als eerste stap ik een hal gelijkend het Pantheon binnen. Steunend op een stok, aangereikt gekregen door zijn chauffeur, loopt de oude mij achterna.
“Ik zal het even uitleggen. Ten eerste, ik lijd aan een bijzonder geval van amnesie. Onlangs is er, zeg maar hmmm~E.een bedrijfsongeluk gebeurd, waarbij mijn hersenen beschadigd werden. Ik kan mijn eigen voornaam niet meer herinneren, maar ik heb mijn personeel verboden het mij te zeggen. Ik moet en zal er zelf achterkomen. Het tweede punt, ik heb graag dat je mij met U aanspreekt. Iemand zo oud als ik verwacht respect en dit lijkt me nog wel het minste beetje respect wat je me kan geven.”
Het blijft een charmante man, maar respect voor hem zal ik nooit krijgen. Hij heeft tenslotte zo’n krimpend en stijgend apparaatski in zijn broek zitten en dat zal ik hem altijd kwalijk nemen. Toen God de vrouw creëerde wilde hij niet de man zijn eenzaamheid verdrijven, maar zijn fout verbeteren. Eerst de man delirium slaan en vervolgens een rib uit zijn lijf rukken, klinkt dat manvriendelijk? De ware feminist begrijpt me wel. In ieder geval wil ik deze oude paalsjorder een rib uit zijn lijf trekken, oftewel een hoop geld afhandig maken. Een beetje slijmen en wat bloot van mijn kant zou geen kwaad kunnen. Ik knipper verleidelijk met mijn ogen, fatsoeneer mijn decolleté (wat niet nodig was) en zeg: “Je krijgt alle respect van me die je maar krijgen kan.”
“Oeps, ik bedoelde U natuurlijk”, vervolg ik giechelend als een klein meisje. Guggenheimer schudt glimlachend zijn hoofd.
“Ik zal je naar de slaapkamer brengen” en hij steekt voor mij een begeleidende arm uit. Arm in arm lopen hij, strompelend en steunend op mij, en ik, tippelend en hups, naar de mysterieuze slaapkamer.
De deur van de slaapkamer is gecapitonneerd. Natuurlijk kan ik het niet nalaten om daar een opmerking over te maken. “Mooi, dan kan ik me in ieder geval niet bezeren bij het naar de WC gaan.” Echt grappig was hij niet, maar de antieke baas gnuift desondanks even. Altijd fijn als mijn humor geapprecieerd wordt.
Hij opent de deur en gearmd betreden we de kamer. De slaapkamer is net als de hal; overweldigend groot. Het maakt niet uit wat de oude zegt over zijn villa, het zal niet snobistisch klinken. “Dit is de slaapkamer”, verklaart Guggenheimer.
Duh, jij bent zeker de snuggerste thuis? Oud, maar niet wijs. Hoe verwacht hij dat ik ooit respect voor hem zal krijgen? Mezelf een spuitje Alzheimer toedienen?
“Dat begreep ik al”, zeg ik pinnig.
De kamer heeft slechts één functie, slapen. Dat is te zien aan de indeling. In het midden staat een reusachtig bed, waarin een hele strengkatholieke familie kan rusten. Naast het bed staat een nachtkastje met een glas. Rara, wat in dat glas kan van die oude tandloze rukeend? Verder kent de kamer geen meubilair.
“Ik weet niet hoe ik moet beginnen”, start hij weifelend. Ik trek mijn pas verworven schoenen uit en leg mezelf op het bed. Best comfortabel, zo’n waterbed, wel even wennen. Hij wil natuurlijk aan het stevige rampetampen beginnen. Even kijken hoe hij het verwoordt.
“Je denkt natuurlijk”, vervolgt hij, nog steeds dubbend.
“Ja, wat denk ik?”, spot ik lacherig.
“Je wilt me natuurlijk neuken”, zegt hij abrupt.
De respect-o-meter has dropped below zero. Hopla, from hero to zero. Wat is dit voor een conclusie? Een trap in zijn ballen kan hij krijgen, de verwaande staafmixertrekker. Hij ziet mijn blik en zegt herstellend: “Dat kwam er verkeerd uit, ik bedoel, je denkt dat ik je wil neuken. Je ziet er goed uit. Een ‘lekker ding’ zou ik zelfs zeggen.”
De senior romanticus. Is hij niet adorabel? Eens lekker in zijn verkreukelde wangetjes knijpen strakjes. Ik hoop wel dat hij met nog wat betere vleierij gaat komen, want op ‘lekker ding’ kan ik niet eeuwig teren.
“Ik bedoel”, maar hij stokt gelijk weer en peinst verder.
Ze zeggen dat als je ouder wordt alles wat langzamer gaat. De heer Guggenheimer is er het levende bewijs van. Jezus, ik wil met Kerst weer thuis zijn, vertel op!
“Eigenlijk” en weer zwijgt hij.
Deze stiltes tussendoor zou ik best goed kunnen gebruiken. Energieprobleem oplossen. Vrede in de wereld brengen. Me afvragen waarom we hier op aarde zijn. Genoeg zaken om me mee bezig te houden. Jammer genoeg interesseren ze me geen van allen. Spreekt op, uwe oudheid!
“Ik wil alleen dat je me vasthoudt. Enige affectie is voldoende”, concludeert hij nu met zekerheid.
Het hoge woord is er uit! Het is een knuffelbeer! Een knuffel mag hij wel krijgen. Kom maar, oude twijfelaar van me. Zal ik je even in slaap sussen. Ik zwem van het bed af en klem hem tegen me aan. Ik voel geen erectie en dat is goed; ik wil er ook geen voelen. Hij kreunt en doet zijn ogen dicht. Toe maar, wat een simpele omhelzing allemaal niet met een mens kan doen. Ik voel me nat worden. In de buurt van mijn schaamstreek wordt het vochtig. Zeer vochtig. Mijn God, wat een kledderboel is het. Ik duw Guggenheimer met forse kracht van me af. Hij valt op zijn stuitje. Dat zal hem leren.
“Kijk nou wat je doet!”, schreeuw ik verontwaardigd. Met beide handen laat ik de plek op mijn rok zien.
“Ja, sorry”, stamelt hij.
“Incontinente vuilak dat je bent! Hoe moet ik ooit zo’n pisvlek eruit krijgen?”, vraag ik, nog steeds schreeuwend.
“Dat regelt Henna wel”, sust hij. Hij neemt niet de moeite om op te staan, maar roept haar naam. Tergend langzaam komt er een dame die zonder twijfel ouder is dan haar baas binnen. Naar mijn schatting is ze Eva van ons mogelijk Ethiopische koppel(dankzij wetenschap bewezen!), Adam & Eva. Ze loopt krom, dus ik doop haar om tot Hernia.
“U riep, meneer Guggenheimer?”, vraagt Hernia onderdanig.
“Nou en of, help mevrouw even uit de kleren en was die urinevlek. Hetzelfde voor mij overigens”, beveelt Guggenheimer.
“Ja meneer, meteen meneer” en ze buigt.
Uit de kleren? Eerst mij een golden shower geven en vervolgens me begluren? Not in this life, you sicko.
“Weet je wat? Waarom gaat meneer Guggenheimer niet eens met zijn oude verschrompelde reet een nachtje op de bank slapen? Dan zal ik mijn vieze kleren bij de deur leggen en ik verwacht ze daar de volgende morgen schoon terug te zien. Ik slaap hier vannacht”, spuw ik eruit.
Misschien iets te gewaagd, maar zonder het nemen van risico’s kom je nergens in het leven.
Guggenheimer knikt instemmend en zegt: “Klinkt redelijk. Laat het zo zijn.”
Hernia helpt hem met opstaan en de twee doen er minstens een kwartier over om de deur uit te komen. Even later komt Hernia terug met een sopje en maakt de plek op de vloer, waar we innig hadden geknuffeld schoon. Na mijn goeddunken gaat ze weg.
Ik strip tot mijn ondergoed, maar bedenk me dat alles in de was moet. Duimen dat hij hier geen voyeuristische speeltjes heeft. Ik zie geen grote spiegels, dus dat spreekt in mijn voordeel. Ik voel me nog steeds vies, maar de kamer heeft geen aangrenzende douche. Het is gelukkig mijn bed niet, waar ik in ga liggen. Naakt stap ik het bed in. Ik leg mijn handen achter mijn hoofd en staar naar de hemel van het bed. Creatief was de maker van het bed niet. De hemel beeldt de sterrenhemel af. Sterrenbeelden kunnen mij net iets meer schelen dan de atomaire energie van een botvis uit de Noordzee. Zou die oude het wel met die Hernia doen? Bejaardenseks schijnt overal voor te komen. Ik walg bij de gedachte, draai me om en val in slaap.

3031 woorden

Lekker Ding - Hoofdstuk 1

Gepost door jorrit in Fictie op 2 december 2001

Hoofdstuk 1

(meer...)
1688 woorden

Pandora’s Doos

Gepost door jorrit in Fictie, Op verzoek op 17 november 2001

Geschreven voor Noortje

(meer...)
923 woorden

We kunnen elkaar zo gelukkig maken dat de engelen jaloers worden

Gepost door jorrit in Fictie, Op verzoek op 24 september 2001

Geschreven voor Marleen

(meer...)
1590 woorden

In den beginne

Gepost door jorrit in Fictie op 25 augustus 2001

Hij liet de bol op zijn vingertop draaien. Hij was trots op zijn bol, het was Zijn eerste. Nog nooit eerder had Hij een bol gecreëerd en nu had Hij er zowaar één. Hij stootte de bol omhoog en ving hem weer op. De bol was niet helemaal mathematisch volmaakt, maar dat stoorde Hem niet. Hij hield de bol nu in beide handen. De bol voelde koud. Hij maakte een gaatje in de bol en blies erin. Nu was de bal warm. Hij legde de bol op zijn bureau. Het was donker in Zijn kamer, besefte Hij opeens. Schuifelend, bang om ergens over te vallen, liep Hij naar de lichtschakelaar. Met een zachte klik vonkte het licht aan. Het was zo verschrikkelijk stil. God, wat was het stil. Alles zweeg. Tussen de rommel vond Hij Zijn gettoblaster. Er zat nog een CD in. Dat bespaarde Hem weer wat moeite. Hij drukte op play, maar de blaster weigerde dienst. De oplossing liet niet op zich wachten, de muziekinstallatie kreeg geen stroom. Hij maakte een stopcontact vrij door een stapel eens witte kleding opzij te schuiven en ontwarde de stekker. Bruusk duwde Hij de stekker in het contact. Zijn tweede poging was een geslaagde en de CD van REM, Out of Time, speelde. Hij zong mee en viel na het tweede nummer al in een diepe slaap.

(meer...)
182 woorden

Huldedicht aan Paul van Ostaijens huldedicht aan Singer

Gepost door jorrit in Fictie op 16 augustus 2001

Paul van Ostaijens huldedicht aan Singer is hier te vinden.

(meer...)
722 woorden

Laat me sterven tot ik dood ben

Gepost door jorrit in Fictie op 30 juli 2001

Het was druk op straat. Dit kwam door het jaarlijks terugkerende stadsfeest. Decennia geleden was deze stad bevrijd van één of andere oorlog en dat moest gevierd worden. Volop bier en dankzij de aanhoudende warmte een hoop onthullend geklede dames. Ik zette mij op een terrasje en keek naar de markt. Nerveus stonden marktkoopmannen hun waar tegen fantastische prijzen aan te bieden aan onwetende toeristen. Ik floot door de kleine spleet tussen mijn twee voortanden en gooide mijn hoofd achterover. Ik zag aan de hemel dat de schemer begon in te vallen. Weldra zou het donker zijn en zouden de lantarens ontstoken worden. Daar was ik tenslotte voor gekomen, het nachtleven. Bepakt met een grote hoeveelheid geld, dat ik nog in muntjes moest omzetten, zou ik mijn lichaam eens teisteren met allerlei soorten cocktails. Ik ledigde mijn glas, stond op en legde te veel fooi neer. Door de menigte baande ik mij een weg richting muntjesautomaat. Ik voelde de drang om een sigaret op te steken, dus ik haalde mijn pakje Marlboro uit mijn jaszak. Net toen de sigaret wilde smeulen door de warmte van mijn vergulde trouwe aansteker stootte iemand mij aan. “Sorry”, mompelde de voorbijganger en vervolgde snel zijn weg. Ik deed nog een poging en weer werd ik aangestoten. Deze echter was onbeschoft en kon alleen een stom glimlachje op zijn smoel toveren. “Driemaal is scheepsrecht”, verzuchtte ik en probeerde het een derde maal. Nu was het een flinke wind die mijn sigaret deed uitwaaien en ik besloot om in een rustig naast mij gelegen steegje mijn Marlboro te doen ontvlammen.

(meer...)