Archief voor November, 2005

1180 woorden

Grauwe lucht

Gepost door jorrit in Fictie, Wedstrijd op 5 November 2005

Helaas heb ik geen nominatie gekregen voor De Rotterdamse Schrijfwedstrijd van de SKVR. Onderstaande was mijn inzending:


De lucht is grauw. Dreigend pakken de wolken zich samen. Ik heb net gedoucht en staar naar buiten.
“Wil je nog ontbijten?”, klinkt het uit de keuken.
Mijn voorhoofd heeft van het staren een plek op de ruit achtergelaten.
“Nee, ik wacht wel tot de lunch”, schreeuw ik terug.
“Koffie?”, klinkt het wederom.
“Lekker!”
Stilte volgt. Ik ga op de bank zitten en probeer nergens aan te denken. Dat blijkt een hele opgave te zijn. Ik bemerk haar pas als ze al in het midden van de kamer staat.
“Ik heb geen koffie meer. Alleen nog aanmaak. Is dat ook goed?”
Ze laat een beetje beschaamd het pak zien waar de aanmaaksachets inzitten.
“Dat is ook goed, hoor”, zeg ik berustend.
“Het is aanmaakcappuccino.”
Ik zwijg en kijk naar haar. Ze heeft d’r haar in een staartje geknoopt. Dat moet ze vaker doen. Ik zie haar gezicht zo beter.
“Zonder cafeïne!”, voegt ze eraan toe.
“Oké, dat is goed”, zeg ik.
Ze loopt weg. Ik kijk nu vanaf de bank naar de grauwe lucht. Ik hou mezelf voor dat het niets om me zorgen over te maken. De lucht is wel vaker grauw in Nederland.
Ze komt terug met een blad in haar handen met twee kopjes en een pak koekjes.
“Ik kreeg de klonters er niet helemaal uit. Ik hoop dat ‘t niet uitmaakt.”
“Dat geeft niets”, zeg ik.
Ze zet het blad neer op de tafel en ploft naast me op de bank. Ik bied haar een koekje aan. Ze streelt mij eventjes achter mijn oor. We zwijgen en drinken klonterkoffie zonder cafeïne.

“Wat een vies weer, hè?”, zegt ze.
“Nou”, antwoord ik.
“Ik vind het maar niets.”

“Nee”, zeg ik. We zwijgen weer.
Ik voel dat het zwijgen haar onrustig maakt. Misschien zwijgen we wel te vaak. Ik weet niet of ik daar wat van moet zeggen. Terwijl ik overweeg haar te complimenteren met hoe mooi ze is als d’r haar in een staartje zit, vraagt ze plotseling aan mij: “Vind je dat we moeten trouwen?”
Die vraag bevreemdt mij. Ik kijk haar aan en zie dat ze gespannen op een antwoord wacht.
“Ik bedoel, je bent hier al zo vaak. Er zal weinig veranderen, behalve dan dat we getrouwd zijn”, zegt ze.
Ze streelt me weer achter mijn oor. Ik vind het prettig dat ze me aanraakt. Toch is dat geen reden om met iemand te trouwen.
“Je ziet er mooi uit vandaag”, zeg ik.
“Je vindt het toch fijn om hier te zijn?”
“Ja, ik hou ook van jou”, antwoord ik.
Ze pakt met haar beide handen mijn hand vast.
“Waarom zouden we dan niet gaan trouwen?”
Ik wend mijn hoofd van haar af en drink met mijn andere hand mijn kopje leeg. Vervolgens kijk ik haar weer aan.
“Ik heb echt niets gemerkt van die klonters, hoor! Zullen we nog een koekje nemen?”, vraag ik.
“Volgens mij wil je gewoon niet me trouwen”, zegt ze sip. Ze trekt haar benen op en verbergt haar gezicht tussen haar knieën.
“Nee, dat is niet waar”, zeg ik. Waarom zeg ik nee? Het is tenslotte wél waar. Misschien is het omdat ze geen koffie kan zetten, misschien is het omdat de dag zo grauw zal worden of misschien komt het omdat ik al getrouwd ben, maar dat hoeft zij niet te weten. En dat wil ze ook allemaal niet horen.
“Ik heb er eigenlijk niet zo’n goede voorstelling van. Trouwen”, mompel ik.
“Maar snap je het dan niet? Trouwen is de ultieme bevestiging van onze liefde. Het maakt alles intenser. Het bij elkaar zijn, de seks, ’s ochtends naast elkaar wakker worden en elkaar liefste noemen…”, klinkt het vanuit haar knieën.
Liefste? Wat een koddige gedachte. Al die tijd heb ik zonder het woord ‘liefste’ een relatie gehad. Ik moet wel emotioneel afgestompt zijn! “Liefste?”, vraag ik.
Ze antwoordt niet. Het was ook geen vraag.
Ik steek mijn hand onder haar truitje en wrijf over haar rug.
“Ik vind het een beetje truttig eigenlijk. Liefste. Geef mij de pindakaas even aan, liefste. Het was weer heerlijk, liefste. Waar ben je, liefste? Ik heb even je hulp nodig, liefste”, zeg ik treiterend.
“Hou op! Hou op!”, krijst ze. Ze springt op van de bank.
Briesend van woede kijkt ze mij aan. God, wat is ze knap met d’r haar in een staartje, maar het is nu niet een goed moment om dat op te merken.
“Ik heb nu wel trek in een boterham. Zullen we gaan lunchen?”, vraag ik.
“Ik wil dat je mijn huis uitgaat”, stamelt ze. Verbouwereerd door haar eigen woorden staart ze me een tijdje aan.
“Ach, doe niet zo mal. Net wilde je nog met me trouwen. Kom op, ik smeer de boterhammen wel. Wat wil je erop?”
Ik sta op en zie dat het begonnen is te regenen. Een enkel druppeltje, maar toch. Wisselvallig weer noemen ze dat.
“Ik meen het. Vertrek!”, schreeuwt ze zeer helder articulerend.
“Heb je soms zin in een boterham met kaas? Die belegen kaas die je laatst had was echt lekker. Of zullen we nog een koekje nemen?”
Ik houd haar het pak koekjes voor. Ze slaat het pak uit mijn handen. Stukken koek vliegen door de kamer. Ze schopt me tegen mijn scheenbeen. Ik krimp ineen.
“Au”, schreeuw ik, “zonde van de koekjes. Ze waren best lekker.”
Verdwaasd kijkt ze afwisselend naar mij en het pak koekjes.
Ik wrijf over mijn scheenbeen. Ik had het verloop van deze zondagochtend toch anders voorgesteld.
Ze lijkt weer enigszins te bedaren.
“Je bent mooi als je boos bent”, zeg ik.
Ik meen daar echter niets van. Ze is veel mooier als ze vrolijk is. Of opgewonden. Zeker niet boos.
“Schat, asjeblieft, ga weg voordat we elkaar echt iets aandoen”, smeekt ze.
Ik sta op en probeer haar te kussen. Ze doet een stap achteruit, maar ik druk haar tegen me aan. Zo doen ze het altijd in films. Soms is dat ten gunste van de man.
Ze worstelt zich los en slaat me in mijn gezicht. Ik blijf onbewegelijk staan. Ze slaat nog een keer en raakt daarbij mijn brilmontuur. Mijn bril klettert op de grond.
Terwijl ik ‘m op probeer te rapen, schopt ze mij omver.
“Woei”, roep ik.
Ze grijpt mijn beide benen en sleurt me over de grond naar de deur. Bruusk trekt ze de deur open.
Buiten zie ik donkere stapelwolken.
“Maar het regent buiten!”, roep ik uit.
“Daar heb ik niks mee te maken”, zegt ze bits.
Ze schopt me over de drempel heen.
“Nee, dat is waar”, mompel ik.
Ze slaat de deur achter me dicht.
Ik voel langzaam mijn kruin nat worden en denk eraan hoe de overburen mij nu zien, zoals ze altijd alles zien. Zonder bril kan ik niet zien of ze me bespioneren. Ze lachen mij ongetwijfeld uit. Zachtjes begin ik te grienen.
Het regenwater en mijn tranen sijpelen in de rioolput weg.