Het allerallerliefste
Gepost door jorrit in Fictie, Wedstrijd op 17 October 2005Voor ‘De Rotterdamse Schrijfwedstrijd 2005’, georganiseerd door de SKVR, heb ik een tweetal verhalen geschreven. Onderstaande zal ik niet inzenden. De beste zal ik na de wedstrijd publiceren.
De deur klingelde. Gerard stond uit verveling een van zijn tafels af te nemen met een vochtige doek.
“Ik kom zo bij u”, zei Gerard.
Jerry’s was een ijssalon en Gerard de neurotische eigenaar. Het ijverige geschrob en Gerards voorkeur voor functionele ontwerpen gaven Jerry’s – zeker voor de toevallige klant – een nogal klinische indruk. Dit werd versterkt door de spierwitte kleding die Gerard droeg en zijn opgepoetste ijslepels, die men chirurgisch gerangschikt achter de vitrine kon zien liggen.
De naam Jerry’s had Gerard spijt van. Zoals het wel vaker gaat met namen op gevels, begonnen ook zijn klanten Gerard oneigenlijk Jerry te noemen. Of Gerrie. Gerard had liever dat ze hem helemaal niet bij naam noemde.
Gerard gaf het tafeltje een laatste veeg. Hij gooide de doek in het teiltje en liep met het teiltje achter de toonbank.
Gerard wist niet zeker of hij een pedofiel was. Ooit had hij eens wat geprobeerd bij een vijftienjarig meisje, maar eigenlijk durfde hij niet zo goed. De gedachte wond hem eigenlijk ook minder op dan hij in eerste instantie had gedacht.
Maar nu stond er voor hem een levensecht meisje van pakweg vijf, zes jaar met haar neus tegen de vitrine gedrukt. Haar vader stond vlak achter haar met zijn hand op haar kleine schoudertje. Haar ogen keken nieuwsgierig rond.
Haar blonde, gekrulde haartjes en de schalkse glimlach die ze naar haar vader wierp, maakte haar in Gerards ogen tot een engeltje. Dit verwarde hem. Tegenstrijdige gevoelens kwamen bij hem naar boven en het angstzweet brak hem uit. Langzaam begon de kraag van zijn tenue strakker om zijn nek te trekken.
Gerard boog voorover en terwijl hij over de vitrine hing, vroeg hij aan haar:
“Wat zou jij het allerallerliefste willen?”
Hij schraapte zijn keel. Hij durfde niet naar de vader te kijken, maar wilde ook niet per ongeluk een begerige blik naar het meisje werpen. Het leek hem het veiligst om zijn blik te laten rusten op iets neutraals. Zoals het zojuist afgenomen tafeltje.
“Dat mijn moeder uit de hemel komt en dat ze dan weer bij mijn vader is. En bij mij! Dat wil ik het allerallerliefst!”, riep ze.
Verrast door haar antwoord tilde Gerard zijn hoofd op en raakte gevangen in haar blik. Hij probeerde weg te kijken naar de tafel, maar telkens keerde hij terug naar haar. Ze bleef hem rustig aanstaren.
“Uh, uh”, stamelde Gerard.
“Nou, liefie, die meneer wil eigenlijk weten wat voor ’n ijsje je wil”, zei de vader.
“Oh, is dat ‘t”, zei het meisje. Ze zuchtte.
“Eén vanille, één chocola en een aardbei”, zei ze zakelijk.
“Eén vanille, één chocolade en één aardbei. Komt eraan!”, herhaalde Gerard.
Hij pakte een oubliehoorn en een ijslepel. Hij stak de ijslepel in het vanille-ijs, maar de ijslepel schampte en slechts flintertjes ijs kwamen los. Was het ijs te koud? Had Gerard de thermostaat te laag gezet? Het meisje ging op haar tenen staan en keek belangstellend toe. Gerard grijnsde nerveus.
Hij probeerde het nog een keer en nu had hij meer succes. Hoewel de hele bak vanille-ijs meebewoog, schepte hij er toch een perfect bolletje uit. Met trillende handen drukte hij het bolletje ijs in de hoorn.
“Zo”, zei hij langgerekt.
Gerard herhaalde de bestelling in zijn hoofd. Bruusk schepte hij de overige twee bolletjes ijs. Het ijsje was eindelijk klaar. Hij reikte over de vitrine om het meisje haar ijsje aan te geven, maar de onderkant van het ijsje raakte de rand van de vitrine, waardoor een deel van de hoorn afbrak. Gerard kon wel janken.
“Het is wel goed zo”, zei Gerard.
Weifelend pakte het meisje het ijsje aan.
“Daar ga ik niet voor betalen”, zei de vader.
“Het is wel goed”, zei Gerard nogmaals, “wilt u nog iets?”
“Och, doe maar een bolletje mokka en een bolletje vanille”, zei de vader.
Gerard zuchtte diep en ging aan de slag.
“Pappa, mijn ijsje is kapot”, zei het meisje en ze toonde het ijsje met de gebroken hoorn aan haar vader.
“Laat maar, we hoeven er nu niet voor te betalen”, zei de vader.
“Maar hij is kapot!”, zeurde ze.
“Daar kan ik niks aan doen. Eet ‘m nou maar braaf op”, zei de vader geïrriteerd.
“U hoeft niet zo’n toon tegen haar aan te slaan”, zei Gerard tegen de vader en tot het meisje: “Je krijgt straks wel een nieuwe, hoor.”
Het meisje glimlachte eventjes. Gerard trilde. Hij was er niet zeker van of hij haar wel een nieuw ijsje wilde geven.
“Waar bemoei jij je mee?”, zei de vader bits.
Gerard zweeg en drukte het tweede bolletje op de hoorn.
“Ik vroeg, waar bemoei jij je mee?”, zei de vader.
Gerard reikte hem het ijsje aan. De vader sloeg het uit zijn handen. Het meisje begon te huilen. Gerard bleef als bevroren staan met zijn hand boven de vitrine.
“Kijk, nu maak je haar ook nog aan het huilen”, riep Gerard.
Het meisje haalde demonstratief haar neus op en huilde met lange halen.
“Kom, we gaan”, zei de vader en pakte haar hand.
“Nee, ik wil blijven”, zei ze resoluut en trok haar hand terug.
Gerard kon niet tegen ruzies.
“Meneer, meneer!”, riep Gerard.
De vader grabbelde naar haar hand, maar het meisje stapte naar achteren. Hij sloeg haar. Ze viel op de grond.
“Net zo’n ongehoorzame hoer als je moeder”, zei de vader. Hij schopte haar na.
“Meneer, meneer!”, gilde Gerard.
De vader draaide zich om en rende naar buiten zonder Gerard nog aan te kijken. De deur klingelde bij zijn vertrek.
Gerard hoorde niets meer. Het meisje lag doodstil op de grond. Haar ijsje smolt.
