We kunnen elkaar zo gelukkig maken dat de engelen jaloers worden
Gepost door jorrit in Fictie, Op verzoek op 24 September 2001Geschreven voor Marleen
“Eindelijk weekend”, schreeuw ik uit. De toevallige (misschien niet voor het verhaal toevallig, maar wel voor de hoofdpersoon toevallig) passanten negeren mijn kreet en lopen stug door. Wellicht moet ik me vergrijpen aan godslastering of spugen in hun gezicht, voordat ze mijn aanwezigheid bevestigen. De desinteresse, die over de mensheid is neergedaald, is van ongekende hoogten en irriteert mij ditmaal. Normaliter zou ik op een zelfde manier reageren op een dwaas die op een maandagmiddag uitschreeuwt dat het weekend is, maar in dit geval ben ik de dwaas en ik leef in een egocentrische wereld. Mijn ego, mijn wereld dus.
Ik klamp een toevallige voorbijganger aan en rammel hem door elkaar. Hij is een mannetje, hoogstwaarschijnlijk beschikkend over een penis en donker haar op zijn borst. Zijn haar zit strak achterover, vastgebonden in een staart. Ik voel dat hij grote biceps heeft en zijn postuur liegt er ook niet over; alleszins een gevaarlijk sujet. Jammer genoeg was juist hij het dichtst in de buurt, anders had ik een meer handelbaar figuur vastgegrepen. “Heb ik soms wat van je aan of zo?”, buldert hij in mijn oor. Hierbij verklaar ik deze man officieel voor zwakbegaafd. Waar zijn hersenen heen zijn gegaan; niemand weet het. “Beseft u wel dat het gelukzaligste moment van de week is aangebroken? Weet u dat het weekeinde is gekomen? Weekend is here to stay!”, roep ik zonder scrupules. “Heb jij het niet helemaal op een rijtje of zo?”, antwoordt hij verbaasd. Zijn zinsneden zijn overmeesterend. De man tikt met zijn wijsvinger tegen zijn voorhoofd en snelt weg, bang voor mijn vermoedelijke psychische stoornis.
Gekte is besmettelijk onder het stommere gedeelte van de bevolking, hoewel ik van mening ben dat hoogbegaafden het vaak ook niet helemaal op een rijtje hebben. Gelukkig heb ik geen gave, daarom ben ik ook van de school, waar ik nu voor sta, getrapt. Ik pak een boek uit mijn tas en blader naar een willekeurige bladzijde. In een gekleurd blok staat met vette letters ‘de ABC-formule’. Ik scheur de bladzijde eruit, gooi die achteloos op de grond en sla het boek dicht. Ik kijk naar de titel en destilleer eruit dat het voor het vak wiskunde bedoeld is. Met een slingerworp keil ik het boek door een ruit van de school heen. “Het alfabet ken ik zo langzamerhand wel!”, galm ik. Ik zie het verontwaardigde hoofd van mijn leraar Nederlands voor de ster in de ruit verschijnen en zwaai naar hem. Zijn hoofd verdwijnt weer – waarschijnlijk gaat hij de nodige instanties informeren over het euvel – en maakt plaats voor enkelen van zijn leerlingen, die hun duim opsteken voor het afgeleverde werk. Ik glimlach, buig eenmaal en loop richting het station.
Ik ga altijd met de trein naar huis en een kleine definitieve schorsing van school zal daar geen verandering in brengen. Educatie is simpelweg niet mijn vakgebied. Ik ben een denker, maar dan wel in mijn eigen tijd. Flexibele werktijden en betere sociale voorzieningen, dat is wat ik wil. De barricades op! Ik zal die leerlingenraad eens laten zien wat protesteren is. Mijn wiskundeboek was een goede start, maar eerst moet ik mijn moeder overtuigen van mijn hernieuwde standpunt. Ik zal mijn betoog over de pracht van deze school ongedaan moeten maken en vervolgens overgaan in kwaadsprekerij. Het was tenslotte mijn voorstel om deze school te kiezen. Er bleef ook niet veel anders over, maar dat heb je nou eenmaal als probleemkind, die nergens zijn draai kan vinden, kortom overal geschorst is.
Ik loop langs een gebouw met spiegelende ramen. Achter die ramen zitten mannen en vrouwen dingen te doen, die met lange termen beschreven worden in gedeeltelijk Engels en gedeeltelijk Nederlands. Executive production assistant manager in opleiding of zoiets, weet ik veel. Het stemt mij vrolijk dat ik ze niet zie, want nu zie ik alleen mijn eigen evenbeeld. Ik salueer mijn evenbeeld bespottelijk en hij doet het net zo bespottelijk terug. “Jij en ik, mijn ziel en jouw lichaam kunnen de wereld aan. Gods hulp zal overbodig zijn. We gaan elkaar gelukkig maken. Geluk zit van binnen. Binnen in je hart, waar je ziel huisvest; het pulserende centrum van je lichaam. Daar zit geluk”, mompel ik tegen mijn spiegelbeeld. Ik zie de lippen in het raam simultaan bewegen met de mijne met het enige verschil dat geluid in tegenstelling tot beeld niet weerkaatst. Zo voel ik mij zwijgend meervoud edoch ben ik luidruchtig alleen.
Ik maak een koprol op het trottoir. Een vrouw komt langs en staart me verbouwereerd aan. “Maakt u zich geen zorgen, vrolijkheid zit niet in de genen. Mijn nazaten zijn veilig”, verklaar ik vergoelijkend. Haar gezicht trekt in een ontstelde grimas en haar lippen gaan van elkaar, maar uiteindelijk stapt ze zonder wat te zeggen weg.
Ik bereik een stoplicht. Het stoplicht staat op groen. Ik word overweldigd door meevallers vandaag. Niemand zou mij kunnen weerhouden door rood te lopen, maar ik, als elk ander weldenkend mens, weet dat dat een risicovolle bezigheid is. Gelukkig hoef ik me met dergelijke zaken niet bezig te houden en mag ik met groen oversteken. Aan de overkant van de straat is het station gesitueerd. Ik stap de hal binnen en snel naar het perron waar weldra mijn trein vertrekt. Het perron is leeg. Het fluitsignaal luidt. De pneumatische deuren sluiten met luid gesis. De trein komt in beweging. Ik zie hem vertrekken. Geluk tintelt in alle regionen van mijn lichaam als een warme zomerzon. Ik wist het. Geluk zit van binnen, daar kan geen tegenslag wat aan veranderen.
