In den beginne
Gepost door jorrit in Fictie op 25 August 2001Hij liet de bol op zijn vingertop draaien. Hij was trots op zijn bol, het was Zijn eerste. Nog nooit eerder had Hij een bol gecreëerd en nu had Hij er zowaar één. Hij stootte de bol omhoog en ving hem weer op. De bol was niet helemaal mathematisch volmaakt, maar dat stoorde Hem niet. Hij hield de bol nu in beide handen. De bol voelde koud. Hij maakte een gaatje in de bol en blies erin. Nu was de bal warm. Hij legde de bol op zijn bureau. Het was donker in Zijn kamer, besefte Hij opeens. Schuifelend, bang om ergens over te vallen, liep Hij naar de lichtschakelaar. Met een zachte klik vonkte het licht aan. Het was zo verschrikkelijk stil. God, wat was het stil. Alles zweeg. Tussen de rommel vond Hij Zijn gettoblaster. Er zat nog een CD in. Dat bespaarde Hem weer wat moeite. Hij drukte op play, maar de blaster weigerde dienst. De oplossing liet niet op zich wachten, de muziekinstallatie kreeg geen stroom. Hij maakte een stopcontact vrij door een stapel eens witte kleding opzij te schuiven en ontwarde de stekker. Bruusk duwde Hij de stekker in het contact. Zijn tweede poging was een geslaagde en de CD van REM, Out of Time, speelde. Hij zong mee en viel na het tweede nummer al in een diepe slaap.
In stilte werd Hij wakker. Alles stond Hem weer tegen. Hij wenste dat een nacht een eeuwigheid duurde en de dag nimmer weder zou beginnen. Eerst zou Hij echter deze al begonnen dag moeten doorstaan. Zijn depressiviteit verdween spontaan, toen hij Zijn bol weer zag. Hij was van mening dat er geen mooiere bol bestond. Hij legde de bol in Zijn wasbak en draaide de kraan vol open. De straal spatte uit elkaar op de top en omhulde de bol op zijn weg naar het afvoerputje. Hij pakte een stoel en ging voor de wasbak zitten. Enkele malen zette Hij Zijn vinger op de bol, om het waterkleed daar te breken, maar dit doorbreken van de esthetiek gaf Hem te veel schrik. Al starend naar Zijn gelukgevende bol begon Hij te knikkebollen en na het knikkebollen viel Hij definitief in slaap.
Met Zijn hoofd in Zijn nek werd Hij wakker. Stijf van het slapen in een houten stoel met enkel harde spijlen als leuning rekte Hij Zich uit. Zijn wens was weer niet uitgekomen. Toen keek Hij naar de wasbak beneden Zich. Hij draaide de kraan dicht en genoot van de willekeur waarmee sommige druppels bleven hangen aan de bol. Hij raakte de bol voorzichtig aan. De bol gaf nog steeds warmte af. Hij blies over de bol heen en liet sommige druppels bij elkaar komen. Dezen vormden een grotere druppel. Toen Hij vond dat het goed was, liep Hij naar zijn gettoblaster, die nog stand-by stond, vond een CD van Rammstein, Sehnsucht, ernaast, zette deze op, legde Zichzelf op bed en viel wederom na het tweede nummer in een diepe slaap.
Uitgerust stond hij op. Hij had gedroomd over een wereld, waarin oorlog en vrede elkaar afwisselden. In die wereld leefden Zijn gelijken. Ze maakten ruzie en hadden elkander lief. Zij kenden de eeuwige nacht. Hij wenste dat Hij de eeuwige nacht kende. Hij voelde Zich vrolijk. Voor Hem was het verschil tussen droomwereld en werkelijkheid maar klein. Hij zette links en rechts van de wasbak een kruk. Op deze krukken legde Hij boeken neer, zodat de stapels ver boven de wasbak uitreikten. Werk maakte Hem moe. Ter ontspanning luisterde Hij naar de radio via Zijn draagbare hifi. De DJ kon Zijn interesse niet wekken en Hij speelde nogmaals Rammstein. Op Zijn bed liggend overwoog Hij peinzend wat Hij uiteindelijk met Zijn bol wilde doen. Niks schoot Hem te binnen, dus ging Hij verder met Zijn bouwwerk. Bij Zijn bed had Hij een leeslampje hangen. Lezen deed Hij vroeger, maar nu niet meer. Met Zijn voet tegen de muur trok Hij het lampje met een wilde ruk eruit. Hij pakte een stoel, ging erop staan en positioneerde het lampje op de stapel links van de wasbak. Met een verlengsnoer gaf Hij het lampje stroom. Een felle lichtbundel straalde op de bol en liet de plasjes water oplichten. Kijkend naar de schittering van het water zag Hij dat het goed was. Hij zocht Zijn kamer af naar nog een spot, maar kon alleen een staande lamp vinden. Hij trapte de rechterkruk om en zette de staande lamp ervoor in de plaats. Deze sloot Hij niet aan. De dag was voorbij.
Carpe diem, dacht Hij, toen Hij Zijn ogen opende. Hij stapte uit Zijn bed en ging meteen aan de slag. Hij maakte baan naar een wandkast, opende deze en haalde een doos met klei eruit. De gehele dag kleide Hij. Met Zijn vingers boetseerde Hij en met een aardappelschilmesje egaliseerde Hij. Hij maakte vissen, de meest vreemdsoortige, met ogen aan armen en baleinen als tanden. Hij maakte vogels, de meest beminnelijke, met een enorme kleurenpracht en de verrukkelijkste klanken. Voorzichtig legde Hij de vissen en de vogels in de wasbak. De vogels reflecteerden het licht mooier dan Hij durfde te hopen. En Hij zag dat het goed was. Met een sereen geweten sliep hij in.
De dag groette Hem en Hij zwaaide terug. Hij had weer gedroomd van de wereld van de eeuwige nacht. Hij had personen gelijkende Zijn uiterlijk gezien. Zij waren mooier dan Hij. Ze hadden rondingen op de vreemdste plaatsen, maar het beviel Hem wat Hij had gezien. Hij wilde terug naar die wereld, maar eerst moest Hij aan het werk. Hij ging verder waarmee Hij gisteren bezig was, boetseren. Hij kleide dieren, zowel grote als kleine. Hij maakte wilde en tamme dieren. Hij draaide nogmaals Zijn CD van REM. Aan het eind van de dag pakte Hij Zijn creaties op en zette ze in de wasbak. En Hij verkneukelde Zich toen Hij zag hoe mooi het was. Starend naar Zijn bol kwam Zijn droom weer terug. Hij dacht aan de personen die Hij had gezien en begon te kleien. Alle klei die Hij nog had zou Hij hiervoor gebruiken. Hij bevrijdde een grote staande spiegel uit de rommel en plaatste die midden in de kamer. Hij aanschouwde Zichzelf en ging aan de slag. Hij begon met Zijn voeten. Hij keek naar ze en maakte ze na. Hij pakte twee grote brokken klei en rolden ze over de grond. Vervolgens verdikte Hij ze daar waar het nodig was. Hij had nu de benen gedaan. Hij zette ze op de voeten en liet ze samenkomen. Hij trok Zijn eigen kleren uit en keek naar Zijn achterkant. Hij keek hoe Zijn benen samenkwamen en maakte zijn project navenant. Naakt ging Hij verder. Met een groot mes haalde Hij een rechthoekige vaas uit Zijn klei. Dit zou de borst worden. Hij zette het op de heupen en met Zijn wrijvende handen perfectioneerde Hij het. Hij rolde armen en maakte op dezelfde manier vingers. Hij plakte de armen aan de romp en besprenkelde het geheel met water voor goede binding. Nu kwam het moeilijke werk. Hij draaide een bol en met het mesje sneed Hij het gezicht, constant in de spiegel controlerend. Toen plaatste Hij het hoofd op de romp. Hij zette de spiegel voor Zijn werk en ging naast het lichaam staan. Hij vergeleek het met Zichzelf en zag dat het goed was. Hij keek naar de wasbak en zag dat alles mooi was. Nu was het werk gedaan en hoopte Hij op de eeuwige nacht.
De volgende dag stond Hij op met wroeging. De droom was niet gekomen en Hij voelde zich ledig. Het maakte Hem pisnijdig. Hij gaf Zichzelf de schuld. Hij keek in de spiegel en zag dat het niet goed was. Zijn ogen waren leeg en Zijn hele gezicht leek verzakt. Het vulde Zijn hart met woede en in een paroxisme sloeg Hij de spiegel aan diggelen. Het laatste wat Hij zag was de reflectie van zijn pijnlijke grimas, voordat zijn vuist het spiegelvlak raakte. Hij keek naar de grond en zag stukken van Zichzelf duizenden keren. Met een voetveeg schoof Hij wat scherven onder Zijn bed. Toen bemerkte Hij Zijn evenbeeld uit klei. Woede herwon de kalmte en voor Hij het wist sloeg Hij de homp klei met de vlakke hand. Zag Hij daar een smalende glimlach op het gelaat? Was het beeld tot leven gekomen? Hij wilde het niet en dus zou het niet zo zijn. Hij sloeg nu met gebalde vuisten en langzaam zakte het lichaam in elkaar onder de regen van geweld. Zijn furie was echter nog niet over. Hij zag het mes, wat Hij gebruikt had om de borst te snijden, liggen, pakte het op en stak het met volle overgave in de rug van Zijn creatie. Hij zag dat het nu dood was. Hij nam een soppend geluid waar toen Hij het mes weer uit het lichaam trok. De hevige spijt heerste nog steeds over Hem en de wasbak kraakte en scheurde van de muur af onder het gewicht van Hem, stampend op Zijn bol. Nu spoot er met volle kracht water uit de kraan en spoelde alles weg. Zijn dieren, wilde en tamme. Zijn vogels. Zijn vissen. Allemaal keerden ze terug naar hun oude staat. En terwijl de kamer volliep met water, keek hij gevoelloos naar het plafond, dat verder weg leek dan ooit en Hij wist dat niks verloren was. En alles was stil, maar niks was meer zoals het eens was.
Want Ik ben God. Ik creëer en Ik vernietig.
