De Opdracht
Gepost door jorrit in Fictie, Wedstrijd op 17 september 2006Dit is mijn inzending geweest voor de schrijfwedstrijd, die georganiseerd was door het tijdschrift Boek. Het deel tot aan de streep is geschreven door Charles den Tex. De streep en de rest is van mijn hand. De wedstrijd is gewonnen door Set Pronk.
Bij uitgangen moet je oppassen. Vanuit een gebouw, waar je alles kunt overzien, naar buiten, de straat op. Altijd een moeilijk moment. Grote straten zijn lastig. Kleine straten zijn oké. Parkeerterreinen zijn prima. Wel groot, maar overzichtelijk. Auto’s in vakken, geen doorgaand verkeer, geen wandelaars, fietsers, scooters, geen kinderen of honden. Twee keer kijken, klaar.
Schiphol is een ramp.
Ik deed het dopje in mijn oor, schakelde in en meldde mij bij de centrale.
“Jansen 3, Schiphol. Opdracht gearriveerd.”
In mijn oortje hoorde ik de rustige stem van Brenda uit de controlekamer van JanSeco Persoonsbeveiliging.
“Check”, zei ze. “Hou ‘m heel.”
Jergy Lavrov was mijn opdracht. Ongeschoren, diep in zijn winterjas weggedoken wachtte hij achter de glazen schuifdeuren tot ik mijn plaats had ingenomen. Een donkere zonnebril verborg zijn ogen. Hij knikte.
Ik niet.
Met een grote koffer in zijn hand liep hij de hal in. Automatisch schoof ik schuin achter hem, mijn pas synchroon met de zijne. In cadans. Mooi tempo, niet te snel. Lavrov was begin veertig, een lange tengere man. Onhandig. Meestal ben ik langer dan de opdracht, zodat ik de omgeving in de gaten kan houden. Met mijn linkerhand stuurde ik hem door de menigte. Luidruchtige groepen vakantiegangers, zakenmensen, hele families met kinderen en grootouders, neven en nichten, alles door elkaar.
Het was juni, warm, en Lavrov had een winterjas aan. Geweldig. Hij was van een kilometer afstand te zien.
Via de verhoogde gang liepen we naar het parkeerdek, laatste vak. Om ons heen werd het steeds rustiger.
“Here”, zei ik en ik wees naar de schuifdeuren.
Lavrov bleef voor de deur staan. Uit mijn zak haalde ik een tracer, zette hem aan en gaf hem aan Lavrov.
“Just in case”, zei ik.
Hij knikte en liet het in zijn binnenzak glijden.
“Excellent”, zei ik. Ik ging naar buiten. Keek links en rechts. Er was niemand. In het vak direct naast de deur stond mijn grijze BMW. Ik duwde op het knopje van de afstandsbediening en de portieren sprongen van het slot. Met drie passen was ik bij de auto, deed het achterportier open en stapte opzij, keek nog één keer om me heen en knikte naar Lavrov. Snel schoof hij zijn koffer op de achterbank en ging er zelf naast zitten. Ik deed het portier dicht en stapte voorin.
“Good”, zei Lavrov. “Please, to hotel now. Yes.”
Lavrov was een investeerder uit Rusland en had anderhalve dag beveiliging nodig, totaal vijfendertig uur. Dan moest hij op het vliegtuig terug zitten. Zijn schema was simpel, al zijn afspraken waren op anonieme kantoorlocaties in buurten zonder woningen, zonder cafés en zonder straatleven. Geen probleem.
Hij was een gesloten man. Na elke afspraak leek hij zich verder terug te trekken achter zijn zonnebril, zijn blik gericht op dingen die ik niet kon zien. Bezeten mompelend in zijn mobiele telefoon, zijn linkerarm op de koffer die geen seconde van zijn zijde week. Hij had haast.
“Go!”, zei hij. “Quickly. Please.”
We reden naar Den Haag, de derde afspraak, in een oud bedrijfspand aan de rand van de stad. Rommelige wijk. Glanzende nieuwbouw naast kantoortjes, werkplaatsen en vervallen loodsen. Ik liep mee naar binnen en wachtte tot Lavrov werd opgehaald door een korte, gezette man. Kalend hoofd. Begin vijftig. Dure kleren en een penetrante aftershave. Zelf bleef ik in de grote, lege hal. Achter de balie zat een jonge vrouw, net in de twintig, lang donker golvend haar. Veel te mooi voor deze buurt. Op een klein bordje stond haar naam: Jolanda Schermer.
“Zit u ook in onroerend goed?”, vroeg ze.
“Voor jou zit ik overal in”, zei ik.
Ze lachte. “Overal is misschien een beetje veel.”
In mijn oortelefoontje klonk de onverstoorbare stem van Brenda. “Blijven we wel bij de les?”
Buiten liepen drie mannen naar hun auto, een rode Alfa. Opzichtige auto. Opzichtige mannen. All clear.
Aan het einde van de middag draaide ik de auto van de A4 af naar het brugrestaurant.
Niet mijn keus. Onoverzichtelijk druk. Een nachtmerrie voor beveiligers. Geduldig reed ik rondjes tot ik een parkeerplaats vond pal tegenover de ingang van het gebouw. Ik liet de motor stationair draaien en keek om me heen, klaar om op elk moment weer weg te rijden.
Lavrov was ongeduldig. Ik sloot me af voor zijn opmerkingen en concentreerde me. Systematisch nam ik de omgeving in me op. Eerst de auto’s direct naast ons. Dan de auto’s iets verderop. Zo steeds verder tot ik het hele terrein had bekeken.
“We go now?” Lavrov had er genoeg van.
Ik schudde mijn hoofd. “One minute”, zei ik, geïrriteerd. Ik hield er niet van als een opdracht me onder druk zette. Nog eenmaal keek ik om ons heen. Te haastig, dat wist ik, maar alles leek in orde.
“Let’s go”, zei ik.
Samen liepen we het gebouw in, langs de Burger King, naar de roltrap. Tien meter achter ons drie mannen in grijze pakken, met fel gekleurde dassen, zware schouders en doelgerichte bewegingen. Te opzichtig. Rode Alfa, dacht ik. Het waren dezelfde mannen die ik in Den Haag had gezien. Nu waren ze hier. Te dichtbij. Te snel. Ik keek ze aan, de blik in hun ogen hield geen verband met hun zogenaamde geanimeerde gesprek. Ik dacht niet meer na. Ik deed.
“Jansen 3. Ontwijkende actie”, zei ik in mijn microfoontje.
“Check”, zei Brenda.
“Eigen auto onbereikbaar.”
“Check.”
Razendsnel keek ik om me heen. Lavrov had niets in de gaten. Een van de mannen stapte op de roltrap achter ons, de andere twee namen de gewone trap ernaast. Twee treden tegelijk. Ik legde een hand op Lavrov’s rug en duwde.
“Move!”, zei ik. “Now. Go!”
Hij reageerde onmiddellijk. We persten ons langs de andere mensen omhoog. Met elke stap voerde ik de druk op. We moesten eerder boven zijn, dan lag het hele brugrestaurant voor ons open om weg te komen. Ik ramde een man opzij en forceerde een doorgang. De man verloor zijn evenwicht en viel achterover. Een paar tellen later was de roltrap veranderd in een worstelende kluwen mensen. Met al mijn kracht duwde ik Lavrov voor me uit en op volle snelheid renden we het restaurant in. Terug kon niet meer, die weg was afgesneden. Al rennend smeet ik tafeltjes en stoeltjes voor de voeten van onze achtervolgers.
Aan de andere kant holden we naar buiten. Rechts kwam een auto aanrijden, op zoek naar een parkeerplaats. Ik stuurde Lavrov ernaartoe. Mijn ogen schoten heen en weer, van de bestuurder van de auto naar de uitgang van het gebouw. Even later stormden de drie mannen naar buiten en ik wist dat ik snel moest handelen. Lavrov liep volledig in het zicht, zonder enige dekking. Ik stapte opzij om hem tussen mijzelf en de auto te manoeuvreren en op hetzelfde moment klonk een korte droge knal. Pijn schoot door mijn schouder, de klap gooide me tegen Lavrov aan. Hij greep me vast, hield me overeind en duwde me vooruit. Met elke pas die we zetten, werd de marge kleiner. Ik moest iets doen, anders zou ik Lavrov niet meer kunnen beschermen. De opdracht was in gevaar.
Ik rukte het portier van de auto open, haalde een mes uit mijn zak, sneed de veiligheidsgordel door en sleurde de bestuurder eruit. Lavrov trok het achterportier open en dook met zijn koffer de auto in. Ik hees me achter het stuur, trok het portier dicht en gaf gas. We stoven het parkeerterrein af. Achter me hoorde ik Lavrov panisch bellen. Onbegrijpelijke Russische woorden klonken vreemd en angstig tegelijk.
“Jansen 3”, zei ik in mijn microfoontje, “nu in groene Citroën C5.”
Het bleef stil. De stem van Brenda was er niet.
“Jansen 3!”, gilde ik, krimpend van de pijn. Tegelijkertijd voelde ik onder mijn jasje het gebroken draadje van de headset tussen mijn vingers. Niks bijzonders, eenvoudig te repareren, maar niet nu. Mijn hoofd duizelde, en met elke kilometer die ik verder reed werd de pijn in mijn schouder erger. Steken trokken door mijn arm en mijn borst. Het enige wat nog in mijn hoofd hamerde, was dat ik het hotel moest bereiken. Hoe dan ook.
Midden in de nacht werd ik wakker, dwars over de voorstoelen van de gestolen auto. Om mij heen was het stil. Ik hees me overeind en keek achterom, naar de achterbank…
—
Daar lag Lavrov, heftig ademend. Uit een gapende hoofdwond stroomde bloed over zijn gezicht. In zijn wang had een mes diepe kerven achtergelaten. Zijn ogen had hij gesloten.
Een stekende pijn die plotseling in mijn hoofd opwelde, deed mij weer herinneren wat er gebeurd was.
Enige tijd had ik onze belagers nog van ons af weten te houden, maar toen ik met de Citroën een doodlopend weggetje in draaide, zaten we als ratten in de val. Terwijl een van de mannen in de rode Alfa achterbleef en de terugweg geblokkeerd hield, hielden de andere twee mij en Lavrov onder schot. Stap voor stap naderden ze ons auto. Door mijn open raam hoorde ik ze opgewonden met elkaar praten. Italiaans, geloof ik. Toen ze twee meter voor mijn deur waren, stopten ze.
“Uit auto. Nu!”, schreeuwde een van de twee.
Langzaam, omdat ik nog steeds onder schot stond, deed ik de deur open en stapte uit. Lavrov hield zich van de domme en bleef op de achterbank zitten. Achter zijn donkere glazen zag ik dat hij gespannen was.
“Jij uit auto”, schreeuwde de Italiaan opnieuw.
“You need to get out of the car”, vertaalde ik voor Lavrov, hoewel ik wist dat hij het al begrepen had.
Lavrov bleef zwijgend zitten. De Italiaan die tot nu toe het woord had gevoerd, knikte naar zijn partner, die onmiddellijk de achterdeur opentrok en Lavrov de auto uit sleurde. Hij gaf Lavrov een stomp in de buik en hees hem toen overeind. Lavrov kreunde ingehouden.
“You speak English only?”, vroeg de Italiaan. Voordat Lavrov kon antwoorden, griste de Italiaan de zonnebril van zijn neus.
Lavrov sloeg zijn ogen neer en knikte licht.
“Good”, zei de andere Italiaan.
“Wie ben jij?”, vroeg hij vervolgens aan mij.
Ik vroeg me af of Brenda al versterking had ingeschakeld. Ze moest het gemerkt hebben, toen mijn signaal dood was gegaan. Lavrov had een tracer bij zich. Hoe lang zou het duren voordat ze hier arriveren? Vijf, tien minuten hoogstens? Ik moest tijd zien te rekken. Ik mocht Lavrov niet verliezen.
“Silvio Berlusconi”, antwoordde ik met een stalen gezicht.
De Italiaan haalde zijn neus op, stapte naar voren en tastte mijn zakken af. Gedachten schoten door mijn hoofd. Wat moest ik doen?
Uit mijn binnenzak haalde hij mijn portemonnee te voorschijn en gaf het aan zijn partner. Hij doorzocht mijn portemonnee en liet toen mijn bedrijfspasje aan de ander zien.
“Sicurezza”, zei hij.
“Bellissimo”, antwoordde de Italiaan. Vervolgens keek hij mij aan. Een kleine glimlach verscheen op zijn gezicht.
“Sorry”, zei hij en sloeg mij met de kolf van zijn pistool op mijn schouderwond. Ik viel op mijn knieën. Ik was duizelig van de pijn. Ze moeten nu komen, dacht ik. Waar blijven ze? Nogmaals hoorde ik hem sorry zeggen. En met de klap die daarop kwam, gingen de lichten uit.
De radio was eenvoudig te repareren. In het handschoenenkastje vond ik een klein zakmesje, waarmee ik de draden kon strippen. Als ik niet te veel bewoog, was Brenda goed te verstaan.
“Jansen 3, wat is de status?”, was het eerste wat ik haar hoorde zeggen.
“Jansen 3 hier. Opdracht is veilig, maar toegetakeld. Ben zelf geraakt”, zei ik.
Haar stem maakte me rustig. De auto rook naar bloed en zweet, de pijn in mijn schouder verlamde mijn gehele linkerarm, maar door haar wist ik mij even te ontspannen.
“Check”, zei ze, “Wat is uw locatie, Jansen 3?”
“Ergens in een doodlopend straatje aan de rand van de stad”, zei ik, terwijl mijn blik op zoek ging naar een straatnaambordje.
“Eerste prioriteit is het bepalen van de locatie”, zei Brenda.
“Begrepen”, zei ik. Ik opende de deur van de auto. De koele, frisse lucht van de nacht blies langs me heen.
Strompelend liep ik naar het begin van de straat. Daar zag ik in het halfduister een bordje hangen. Slagerssteeg. Ik liep terug naar de auto en meldde mij weer bij Brenda.
“Jansen 3, Slagerssteeg”, zei ik.
“Check”, zei ze. Het bleef even stil. Toen herinnerde ik mij weer de tracer.
“Is de tracer niet op de scanner verschenen?”, vroeg ik. In de binnenspiegel zag ik Lavrov langzaam weer tot bewustzijn komen.
“Jawel”, zei ze, “maar die vonden we terug in een verlaten, rode Alfa Romeo in het centrum van de stad.”
Ik vloekte binnensmonds. De Italianen hadden geweten hoe wij werken. Waarschijnlijk hadden ze Lavrov direct nadat ik het bewustzijn verloor, gefouilleerd en de tracer aangetroffen.
Plotseling hoorde ik Lavrov gillen. Eerst in het Russisch, toen in het Engels.
“My suitcase! Where is my suitcase?”
Ik keek om mij heen. Geen koffer te zien. Daar waren de Italianen dus naar op zoek. Dat is wat ze wilden.
“Opdracht is weer bij bewustzijn”, zei ik.
“Mooi”, zei ze. “Blijf daar, we hebben je gelokaliseerd. We komen je ophalen.”
“Begrepen.”
Lavrov was inmiddels de auto uitgestapt, op zoek naar de koffer. Wankelend stond hij het steegje af te speuren.
“They are coming to pick us up”, riep ik naar hem.
“Who?”, vroeg hij, terwijl hij terug naar de auto liep. Toen zag ik dat zijn rechterhand een vinger miste. Omdat zijn gehele pak onder het bloed zat, viel het niet meteen op, maar waar eens zijn wijsvinger had gezeten, zat nu een bloederig stompje.
“Where is your finger?”, vroeg ik en wees naar zijn hand.
De Rus keek naar zijn vinger. Ik zag aan zijn blik dat het nog niet tot hem was doorgedrongen.
“My agency will send someone to take us to the hospital”, zei ik.
Lavrov stapte weer achter in. Ik sloot mijn ogen en zuchtte diep. Het was beter om nu proberen te ontspannen. Ik had een hoop bloed verloren, maar Lavrov leefde nog. De verdere afwikkeling zou voor het kantoor zijn.
“When they come?”, hoorde ik achter mij.
“Oh, any minute now”, antwoordde ik.
Toen voelde ik iets zwaars op mijn hoofd vallen. De wereld begon te tollen. Opnieuw een klap. En weer was alles zwart.
De pijn in mijn hoofd toen ik wakker werd was niet te harden. Ik lag op mijn zij met mijn benen opgevouwen in een broeierige, pikzwarte ruimte. Ik voelde dat de radio uit mijn zak was gehaald. Voorzichtig tastte ik met mijn hand de omgeving af. Zonder mij te strekken, kon ik de wanden van de ruimte aanraken, die bekleed bleken te zijn met ruwe, stoffen matten. Verder aftastend kon ik maar één ding concluderen; Lavrov had mij in de achterbak van de auto opgesloten.
Toen hoorde ik stemmen. Het geluid was verwrongen; ik verstond niet wat er gezegd werd, maar het waren duidelijk stemmen. In de hoop hun aandacht te trekken begon ik op de achterklep te bonzen. Eerst voorzichtig, toen met volle kracht. De stemmen kwamen dichterbij. Er werd een sleutel in het slot gestoken. De achterklep sprong open.
Het felle TL-licht van de garage overweldigde mij voor een moment. Toen herkende ik twee silhouetten, die voor mij stonden.
“Ik hoop dat u een aangename reis heeft gehad, meneer Jansen”, zei het ene silhouet met een sterk Russisch accent.
De ander, die duidelijk fors gebouwd was, boog zich voorover, tilde mij uit de achterbak en zette mij op mijn benen. Ik voelde mij duizelig. Pijnscheuten gingen door mijn gehele lichaam. Ik proefde bloed in mijn mond. Langzaam wenden mijn ogen aan het licht.
“Laat ik mij even voorstellen, ik ben Vadim Petrovitsj”, vervolgde de Rus.
“En dit hier”, zei hij en wees op de kleerkast, die mij zojuist uit de auto had getild, “is mijn compagnon Jorgi.”
Jorgi gromde even.
Zowel Petrovitsj, als Jorgi zagen er louche uit. Petrovitsj had vettig haar dat strak naar achteren was gekamd en droeg onder zijn pak cowboylaarzen. Jorgi had een pokdalig gezicht en bicepsen die uit zijn pak leken te spatten.
“Kan ik u soms iets te drinken aanbieden?”, zei Petrovitsj. Hij draaide zich om en gebaarde mij mee te komen. Hierop legde Jorgi zijn hand op mijn goede schouder en duwde mij naar voren. We liepen.
De garage zag er verlaten uit. Enkele auto’s stonden op een brug, hier en daar stonden wat auto-onderdelen tegen de muur en er hing een geur van rubber en motorolie. Mijn blik ging op zoek naar een vluchtweg, maar Jorgi duwde mij ruw vooruit.
We stapten een aangrenzend kantoortje binnen, dat middels een glazen ruit overzicht had over de gehele garage.
“Ga toch zitten”, zei Petrovitsj. Prompt duwde Jorgi mij in een stoel.
“Iets te drinken, dus”, mompelde Petrovitsj. Hij opende de koelkast, haalde een fles wodka uit een klein koelkastje en bood mij een glas aan.
“Nee, dank u. Heeft u misschien een glas water?”, zei ik. Mijn stem klonk hees. Ik schraapte mijn keel.
“Ook goed”, zei Petrovitsj. “Haal voor meneer even een glas water, Jorgi.”
Jorgi gromde en verliet het kantoor. Petrovitsj schoof wat papieren op het bureau opzij en ging op de rand zitten. Door zijn jasje schemerde de bobbel van een schouderholster.
“Dat is een nare schouderwond, die u daar heeft”, zei Petrovitsj, “daar zou u eens iemand naar moeten laten kijken.”
Vervolgens pakte Petrovitsj het glas en sloeg de wodka in een keer achterover. Terwijl hij het zich luidkeels liet smaken, keerde Jorgi terug met een glas water.
“Ah, het watertje voor meneer”, zei Petrovitsj. Petrovitsj zette zijn glas neer en knikte naar Jorgi, die daarop mijn hoofd vastpakte en mij dwong te drinken. Water liep in straaltjes langs mijn wangen. Het was te veel en te snel. Toch protesteerde ik niet. Ik wist waar dit gesprek heen zou gaan. En ik wist dat ik daar al mijn krachten voor nodig zou hebben.
Toen Jorgi klaar was, draaide hij zich van me af en ging achter mij staan met zijn hand op de leuning van mijn stoel.
Dit was het signaal voor Petrovitsj om op te staan en door het kantoor te lopen.
“Goed, nu u uw dorst heeft gelest, kunt u misschien wat vragen voor ons beantwoorden. U ziet, wij zitten met een probleem. Er is namelijk iets van ons gestolen. Iets dierbaars. We zouden het graag terug willen”, zei hij. Petrovitsj keek mij aan.
“Ik heb niets van jullie”, zei ik. Petrovitsj’ ogen schoten naar Jorgi, die met een greep die botten zou kunnen breken, in mijn gewonde schouder kneep. Ik kreunde.
“Wacht totdat ik een vraag stel”, zei Petrovitsj plotseling opvliegend. “Als u mij continu interrumpeert, zal Jorgi maatregelen moeten nemen.”
Jorgi gromde instemmend.
“Goed, ik besef dat uw tijd ook kostbaar is. Kunt u mij daarom kort vertellen wat uw relatie met de Italianen is?”, zei Petrovitsj.
“Welke Italianen?”, zei ik. Ik speelde verbaasd.
Petrovitsj sloeg met zijn hand tegen een metalen kast. De klap klonk oorverdovend in het kleine kantoor.
“U weet best over wie ik het heb”, donderde Petrovitsj. Hij knikte weer naar Jorgi. Jorgi kneep hard. Ik kreunde opnieuw.
“Waarom vraag je me niet waar de koffer is?”, vroeg ik.
“Okee, goed, waar is de koffer?”, herhaalde Petrovitsj.
Ik schudde mijn hoofd en begon te lachen. Steeds harder. Ik bulderde. Het werkte aanstekelijk. Petrovitsj begon ook te lachen. We lachten gezamenlijk. Zelfs Jorgi leek te grinniken. Toen hield Petrovitsj plotsklaps op. Zijn ogen spoten vuur. Ik stopte met lachen.
“En?”, vroeg hij. Hij keek me strak aan.
“Ik weet niet waar de koffer is, maar aangezien wij hier toch allemaal zitten om die ene vraag beantwoord te krijgen, dacht ik dat ik je de moeite kon besparen”, zei ik. Ik glimlachte voor een moment schaapachtig en keek Petrovitsj aan.
Met twee passen, die eerder sprongen leken, stond Petrovitsj voor mij. Uit het niets leek zijn vuist te komen, die met volle snelheid op mijn neus insloeg. Ik hoorde het bot kraken.
“Au”, riep ik uit.
Ik greep naar mijn neus. Bloed stroomde mijn mond in. Ik spuugde een bloederige fluim uit voor de voeten van Petrovitsj.
“En wat een manieren”, zei Petrovitsj met zijn armen geheven. Petrovitsj schudde zijn hoofd, draaide zich om en liep naar de metalen kast, waar hij zoëven tegen had geslagen.
“Mag ik u er even aan herinneren”, zei Petrovitsj, terwijl hij de kast openmaakte, “wat er gebeurt met mensen die mijn vragen niet beantwoorden?”
Piepend zwaaide de kastdeur open. Petrovitsj deed een stap naar achteren en wees naar de kast. Ik volgde zijn vinger en schrok toen ik zag wat hij bedoelde. Daar, in de kast weggemoffeld, lag het stoffelijk overschot van Jergy Lavrov; mijn opdracht. Over zijn hoofd was een doorzichtige plastic zak getrokken. Verschrikking was in zijn ogen af te lezen.
“Je neemt je beste vriend. Je vraagt hem om een koffer te bewaken. Eén simpele koffer. Dat is alles!”, riep Petrovitsj verontwaardigd tegen mij.
Ik bleef stil. Petrovitsj draaide zijn hoofd weg en mompelde iets onverstaanbaars. Hij leek in gedachten verzonken te zijn.
“Goed”, zei Petrovitsj, “laat de heer Jansen maar even nadenken over zijn antwoorden, Jorgi. Gooi hem in het hok.”
Ik hoorde Jorgi gnuiven. Grote handen trokken mij uit mijn stoel en duwden mij naar de deur. Wankelend op mijn benen liep ik naar buiten.
Achter mij hoorde ik Petrovitsj nog schreeuwen: “En Jergy wil ook graag zijn vinger terug. Waar is in godsnaam zijn vinger gebleven?”
Het hok was klein, maar nog altijd groter dan de achterbak van een Citroën C5. Ik lag op de grond. Mijn handen en voeten waren gebonden. Boven mij hingen vuile overalls en zweetschoenen. Ik dacht aan de ondervraging van zojuist.
Wat de koffer dan ook bevatte, het was duidelijk dat de Russen de koffer koste wat kost wilde hebben. En ze zouden daarvoor niemand sparen.
Ik schatte mijn kansen in. Het was onmogelijk dat Brenda nog wist waar ik was. Ik had geen radio, geen tracer, geen telefoon, niets. Als ik nog gered zou kunnen worden, zou ik dit zelf moeten forceren. Ik moest hier weg. En wel nu.
Mijn handen waren op mijn rug gebonden. Normaliter zou dit geen probleem zijn, als ik niet een schotwond in mijn schouder had gehad, die met de minuut pijnlijker leek te worden. Toch moest ik het proberen.
Ik maakte mijn armen zo lang mogelijk. De pijn in mijn schouder deed mij duizelen, maar ik zette door. Ik vouwde mijn benen op en haalde langzaam mijn armen over mijn benen heen. Ik voelde hoe de wond weer openscheurde. Nieuwe, rode plekken verschenen op mijn toch al bebloede overhemd. Ik kreunde stilletjes.
Ik had nu mijn armen voor me. Na enig wrikken kon ik mijn benen met mijn handen bevrijden. Ik stond op en keek om me heen, op zoek naar iets scherps om mij van de resterende touwen te bevrijden. Toen ik dat niet kon vinden, probeerde ik de deur te openen. Deze bleek niet op slot te zitten. Met een korte klik en een licht gekraak duwde ik de deur open. Vrijheid lonkte.
Behoedzaam stapte ik het hok uit en luisterde naar de geluiden. In de verte hoorde ik Petrovitsj in het kantoor een monoloog houden tegen Jorgi, die af en toe een instemmend geluid liet horen. Verder was het stil.
Ik dacht na over een vluchtroute. Lavrov moest haast gehad hebben, toen hij de auto parkeerde. De auto moest dus wel dichtbij een uitgang staan. Althans, dat nam ik aan. Waarom had ik niet beter gekeken toen ik de kofferbak uitkwam? Ik moest nu gaan gokken.
Ik besloot dat teruggaan naar de Citroën mijn beste optie zou zijn. Om daar te komen, moest ik langs het kantoortje, dat overzicht had over de gehele garage. Ik haalde diep adem en begon te kruipen.
De vloer was vettig en ruw onder mijn ellebogen. Half tijgerend, half kruipend naderde ik het kantoortje. De deur was dicht. Petrovitsj was nog steeds aan het praten. Blijf rustig praten, dacht ik. Muisstil gleed ik over de vloer. Elke beweging in slowmotion. Nog even. Ik was er bijna. Toen zweeg Petrovitsj. Het werd doodstil in het kantoor. Ik verstijfde.
Plotseling hoorde ik voetstappen. Ik drukte mij tegen de muur naast de deur. Als de deur zou openzwaaien, zou ik niet meteen opvallen. Het was risicovol, maar het was mijn enige kans.
Toen hielden de voetstappen op. Ik wachtte een minuut. Twee minuten. Het bleef stil. Ik begon weer te kruipen.
De contactsleutels zaten nog in de Citroën. Jammer genoeg was het geen automaat. Ik zou met gebonden handen moeten schakelen. Voor mij lag de straat open. Hoe had ik over het hoofd kunnen zien dat de Citroën voor een open garagedeur geparkeerd stond? Ik startte de auto, boog voorover om te schakelen en liet de auto stil de straat op rollen.
Terwijl ik reed, keek ik in mijn binnenspiegel om te kijken of ik achtervolgd werd. Ik keek de eerste paar straten continu, daarna regelmatig en toen ik de snelweg op was af en toe. Niemand volgde mij. Het was vijf uur ’s nachts, de wegen waren leeg en ik nam veel bochten.
Ik had eerst overwogen om naar het ziekenhuis te gaan, maar ik besefte mij toen dat dat te veel vragen met zich mee zou brengen. Ik zag eruit als iemand die in de verkeerde zaken verzeild was geraakt. Gewelddadige zaken. En hoe zou ik die schouderwond verklaren? Ik moest eerst met het kantoor gesproken hebben, voordat ik iets zou kunnen doen.
Mijn handen omklemde het stuur. Mijn schouder was verstijfd. Ik had kunnen proberen iets scherps te vinden om mijn handen van het touw te ontdoen. Het maakte nu niet meer uit. Nog een kwartier rijden, dan zou ik op het kantoor zijn.
Plotseling dook er links van mij een zwarte Mercedes met geblindeerde ruiten op. De auto was met een flinke snelheid aan komen rijden, maar remde af toen hij naast mij reed. Ik probeerde hem te ontvluchten en gaf wat extra gas, maar de auto bleef aan mijn linkerkant plakken. Wat wilde hij van me?
Toen zag ik voor mij het bordje voor de afslag opdoemen. Ik gaf richting aan. De Mercedes deed hetzelfde. Ik gaf nog eens extra gas, maar de Mercedes bleef volgen. Toen zwenkte de Mercedes plotseling naar links uit en stuurde vervolgens hard naar rechts in. Mijn auto schudde van de klap en werd tegen de vangrail aangedrukt. Links en rechts van mij zag ik vonken van metaal tegen metaal. De auto was stuurloos.
Ik trapte vol op de rem. Even ontsnapte ik uit de klem van de Mercedes, maar voordat ik naar links kon wegdraaien, zat de Mercedes weer naast mij. Ik bleef remmen, maar telkens zat de Mercedes naast mij voordat ik iets kon verrichten. Uiteindelijk stonden wij vijftig meter voor de afslag stil.
De deuren van de geblindeerde Mercedes vlogen open. Een van de twee mannen die uitstapten herkende ik als de Italiaan die mij eerder had neergeslagen. Hij had wederom dezelfde flauwe glimlach op zijn gezicht.
De ander nam mij kort op en zei: “Ik zie dat je reeds gebonden bent. Dat komt mooi uit. Stap maar in.”
Weer zat ik op een stoel met een bodybuilder om mij heen. Weer werden er vragen gesteld waar ik het antwoord niet op wist. Wat is je relatie met de Russen? Waarom bewaakte jij de koffer? Wat denk jij dat er in de koffer zit? Ik wist het niet. Ik was doodop en stond op het punt om weer het bewustzijn te verliezen.
De Italiaan voor mij had een vriendelijk gezicht. Hij had eerst geprobeerd mij met eten en drinken te paaien, maar inmiddels was hij op martelen overgegaan. Bij elk incorrect antwoord, hamerde de bodybuilder op commando op mijn gezicht.
“Ik vraag het nog eenmaal. Wat bevat de koffer?”, schreeuwde de Italiaan.
“Ik weet het niet!”, riep ik uit, terwijl ik bloed rochelde.
De Italiaan keek me strak aan. De bodybuilder boog zich over mij heen, klaar om opnieuw op mijn gezicht in te slaan. De Italiaan dacht even na en maakte toen een afhoudend gebaar. De bodybuilder gehoorzaamde en stapte naar achteren.
“Misschien weet je hier dan het antwoord op”, zegt de Italiaan.
Hij schoof een la van zijn bureau open en haalde er een klein doosje eruit. Voorzichtig tilde hij het deksel op en schoof het doosje naar mij toe.
Met mijn laatste krachten boog ik voorover en keek door mijn bijna dichtgeslagen ogen naar de inhoud van het doosje. Het was onmiskenbaar de ontbrekende vinger van Lavrov op een bedje van verpakte ijsklontjes. De Italianen hadden hem toch meegenomen.
“Is de vingerafdruk misschien een sleutel tot iets?”, vroeg de Italiaan.
Het begon in mijn hoofd te tollen. De Italianen hadden iets gestolen van de Russen waarvan ze niet wisten wat het was, de Russen verdachten mij ervan samen te werken met de Italianen en de Italianen waren ervan overtuigd dat ik met de Russen samen heulde. Daarbij leek niemand werkelijk te weten wat er in die koffer zat. Ik gaf het op. Ik keek de Italiaan nog een keer aan, grijnsde en verloor toen het bewustzijn.
Wat daarna gebeurde, gebeurde in een waas. Toen ik ontwaakte stond Petrovitsj plotseling naast mij. De bodybuilder lag trillend op de grond. Onder hem lag een plas bloed die snel uitdijde.
“Hoe hebben jullie mij gevonden?”, stamelde ik.
“Wij kennen ook dat traceertrucje”, zei Petrovitsj en glimlachte.
Achter mij hoorde ik mannen slaags raken met andere mannen. Italiaans, Russisch, Nederlands en een hoop schoten. Opnieuw zakte ik weg in mijn comateuze slaap.
Toen ik opnieuw wakker werd, lag ik in het ziekenhuis. De zon scheen in mijn gezicht. Naast mij stond een fruitmand van JanSeco Persoonsbeveiliging. ‘Beterschap’ stond er op het kaartje. Ik keek de zaal rond. Hoe was ik hier terechtgekomen? Had ik in de commotie weg kunnen komen?
De deur van de zaal stond open. Buiten op de gang zag ik een man met een verpleegster praten. Hij had een pak aan. Een grijs pak met een fel gekleurde das. Opzichtig. Te opzichtig. Rode Alfa.
