Dag des Oordeels
Gepost door jorrit in Fictie op 15 mei 2006Vandaag ontmoette ik de man die ik een jaar geleden zelf was. Ik was door zijn voortuin heengelopen en had bij hem aangebeld.
Het was een voortuin met een keurig gemaaid gazonnetje en in het midden een klein appelboompje, waar wat schamele vruchten aanhingen. Aan de rand van de tuin, tussen de bieslook en de kruizemunt en in de schaduw van het appelboompje, stond een felgekleurde tuinkabouter met kruiwagen. Het was een overbekend tafereeltje. Dit had ik reeds vele malen eerder gezien.
Toen de man echter de deur opendeed, en mij vanachter zijn zonnebril met dropkleurige glazen bekeek, besefte ik plotseling dat ik hem kende. Deze man was mijn vroegere ik.
Ik nam hem in mij op. Hij droeg een wit T-shirt zonder opdruk. Aan zijn kakikleurige broek hadden zich twee peuters vastgeklemd, die mij met grote ogen aanstaarden. Ze hadden sierlijke, blonde lokken en mooie, diepblauwe ogen, zoals kleine engeltjes. Ik voelde mededogen. Deze kinderen hadden mijn kinderen kunnen zijn.
Hij vroeg mij wat ik hier kwam doen. Zijn stem klonk voorzichtig. Hij leek zo onschuldig. Zo onschuldig als een lam Gods. Maar ook lammeren zullen branden in de hel op de Dag des Oordeels en daarom doe ik mijn heilzame werk.
Ik vertelde hem over het eind der tijden, het laatste oordeel en het herrijzen van de doden. Ik vertelde hem over een betere wereld en het oneindige leven. En ik vertelde hem ook over de voorbodes - de politieke chaos, de oorlogen, de natuurrampen - totdat hij begon te vloeken en de deur voor mijn neus dichtsloeg.
Dit gebeurde wel vaker. Het was niet erg. Een jaar geleden had ik hetzelfde gedaan bij het zien van een Jehovagetuige. Voor een ongelovige is het moeilijk te begrijpen dat dit de enige juiste manier van leven is. Zelfs mijn eigen vrouw wilde mij niet begrijpen.
Ik herinner mij nog hoe ik eens met haar een discussie had over het geloof. Toen zij een jaar geleden zwanger werd, kreeg ik een spirituele beleving. Nog nooit had ik geloofd, maar toen, op dat moment, wist ik het zeker; ons kind zou gedoopt moeten worden. Zij was het er echter niet mee eens. “Als dat kind wil geloven, moet ze dat zelf maar uitzoeken. Zeker met dat malle geloof van jou”, had zij gezegd. Dat had mij pijn gedaan. Ze was te ver gegaan. Ik besloot om niet meer met haar te praten, totdat ze haar excuses zou hebben aangeboden.
Maar ze bood haar excuses niet aan. Om mij te treiteren had ze boeddhistische en andere oosterse afgodsbeelden in huis gehaald. Tijdens het eten keek ik recht in het gezicht van een goedlachs boeddhabeeldje. Ik had moeite om mijn woede in te houden, maar ik bleef kalm en dacht aan de leer van Jezus.
Het hield echter niet op en op een avond kon ik het niet meer aanzien en sloeg ik alle beeldjes stuk. Ze krijste en schold mij uit. Die avond spraken we weer met elkaar. Die avond vertrok zij om nooit meer terug te keren. Ze bleek haar koffers al gepakt te hebben.
Ik heb haar toen gesmeekt om terug te komen. Ik heb haar gezegd dat ik het niet zo meende en dat we er nog eens over moesten praten. Maar ze wilde niet praten. Ze zei niets meer.
Inmiddels weet ik dat het zo beter is. Zij wilde God niet dienen. Zij sprak met een gespleten tong over het geloof en diende alleen nog Satan. En zijn het niet vrouwen die ons uit het Paradijs hebben geleid? Zoals Lilith Adam verliet, zoals Eva Adam van de verboden vruchten liet eten, zo deed zij mij van het rechte pad doen afdwalen. Zo sprak zij met een gespleten tong tot mij en dreef mij tot waanzin.
Toch heb ik het haar vergeven. Immers, het was Jezus, die zei: “Als iemand je op een wang slaat, keer hem dan de andere toe.” En daarom heb ik mijn andere wang naar haar toegekeerd, zoals ik hem ook naar de man met de zonnebril toekeerde. Daarom moet ik mensen blijven vertellen over het Jehova-evangelie, zelfs als ze niet willen luisteren. Maar op de Dag des Oordeels zullen we zien wie er gelijk heeft. Dan zullen we zien wie er zal branden in het hellevuur.
