Cabriolet

“Maar ik hou niet meer van je.” Ik zei het alsof het al jaren overduidelijk was. Ik hou niet meer van hem. Ik had hem vanuit de auto opgebeld om hem uit te leggen waarom hij vanaf vanavond zelf de lasagne mocht klaarmaken. Zijn stem klonk fragiel. Ik had hem nog nooit zo meegemaakt. Hij leek ten einde raad.
Ik liet de motor van mijn cabriolet extra ronken om zijn gesnik te overstemmen. De wind wapperde door mijn haren. Ik ademde de frisse lucht die tegen mijn gezicht sloeg diep in. Hoe kon ik deze weg vergeten zijn? De scherpe bochten en de heuveltjes, die je zo’n prettig gevoel geven als je afdaalt. Het deed me weer verlangen. Ik wilde hier en nu de liefde bedrijven. Versierd en verleid worden, zoals voorheen.
Angstvallig heb ik daarom deze plek voor hem verborgen gehouden. Ik vertelde hem wel dat ik vreemdging. Er was weinig dat mij meer plezier deed dan hem te vertellen wat voor een geweldige neukpartij ik nu weer had gehad. Ik vertelde hem dan het liefst alles, tot in de fijnste details, maar nooit heb ik hem verteld dat het hier was, dat ik met een kloeke boerenjongen lag te vozen tussen het koren aan de kant van de weg. Dat het hier was dat ik gilde van plezier en genot. Dat het hier was dat ik bedacht dat ik niet meer van hem hield.
Ik lachte en accelereerde. Velden en bomen vlogen nu aan mij voorbij. In de bochten gaf ik extra gas. Door de schittering van de zon tussen de bomen had ik moeite om mij op de weg te concentreren. Ik begon hard aan mijn stuur te trekken. Ik schoot rakelings langs een vangrail. Mijn banden piepten. Plotseling stond daar een hert. Ik wilde remmen, het hert wilde springen. Alles voltrok nu in slowmotion.
Het hert vloog door mijn voorruit. Ik zag het glas barsten en tot glassplinters vormen, die op mijn gezicht regenden en op mijn schoot vielen. Zijn gewei kwam langzaam op mij af en penetreerde mijn nek. Ik proefde bloed in mijn mond. Ik gorgelde. We raakten van de weg af.
De auto was niet te stoppen. Mijn handen bewogen niet meer, mijn benen reageerden niet meer. Ik kon alleen maar toekijken hoe de auto op een boom afstevende. Er was een oorverdovende klap, gevolgd door dodelijke stilte. Alleen nog het sissende geluid van een leeglopende airbag was te horen en een stem die door de carkit gilde: “Marja? Is alles nog goed met je, Marja?”

Door de tranen in mijn ogen had ik moeite om mij op de weg te concentreren. Hoe kon ze me dit aandoen na dertien jaar gelukkig getrouwd te zijn? Ik heb haar altijd netjes behandeld. Ik heb haar nooit geslagen en al haar wensen proberen te vervullen. Ik heb voor haar een cabriolet gekocht en een huisje in de bergen. Ik dacht dat ze van mij hield. Ik dacht dat ik de enige was.
Totdat ze mij vertelde dat ze vreemdging. Dat een andere man haar de bevrediging kon bieden, die ik niet kon bieden. Mijn hartzeer was groot, maar ik liet het toe. Ik liet het toe, omdat ik hoopte dat ik de ware voor haar zou blijven.
Ze bleef mij er echter mee tiranniseren. Ze wist mij ermee te breken. Ik ben haar gevolgd naar deze verderfelijke plek – deze plek, waar ik nu rijd – en heb haar bespioneerd vanuit de bosjes, terwijl zij zich liet nemen door ongewassen, potige kerels. Maar zelfs toen kon ik het niet geloven. Ik bleef terugkomen.
Snotterend van de tranen en de hooikoorts rende ik door de velden op zoek naar haar. Naar wat haar hier aantrok. Misschien waren het de strak blauwe lucht en het oorverdovende geluid van myriaden krekels, die haar in andere werelden brachten. Of de scherpe bochten en de onoverzichtelijke wegen die haar een gevoel van avontuur gaven. Nooit heb ik het kunnen vinden.

Ik zag in de verte haar cabriolet aan de kant van de weg staan. Ik minderde gas en reed langzaam langs de ravage. Er lag een hert op de motorkap. Zij zat in de auto. Haar hoofd was naar achteren geklapt, haar ogen keken levenloos omhoog.
Een gevoel van opluchting overrompelde mij. Ze was dood. Ik keek nog een keer naar haar, lachte en accelereerde.

Leave a Reply