De piste

Ik zit in een stoel en kijk uit het raam. Daar zie ik mensen de piste afskiën. Dit doet mij terugdenken aan waarom ik in deze stoel zit.

Een kleine week terug stond ik en keek ik uit het raam. Naar onze auto. De laadklep stond open.
“Hebben we alles?”, riep ik.
“Bijna”, riep zij terug.
Een dag later stond ik voor het raam waar ik nu voor zit.
“Wat zijn de toppen toch mooi wit, hè?”, riep ik.
“Nou”, riep zij terug.
Misschien had ik haar toen mijn aversie tegen sneeuw moeten bekennen. Hoe ik als klein kind eens in een sneeuwstorm terecht was gekomen. Hoe een sint-bernard toen mijn leven had gered. Dat zou ongetwijfeld deze vakantie in een ander daglicht hebben gezet.

Ik stond met mijn ski’s op de piste.
“Eigenlijk wel hoog, hè?”, zei ik tegen haar.
“Ja, en straks gaan we nog hoger”, zei ze. Ze wees naar boven, maar ik durfde haar vinger niet te volgen. Ik slikte.
“Ik moet plassen”, zei ik.
“Beneden is een toilet”, zei ze en stoof weg.
Ik keek haar na, terwijl ze in ‘t wit verdween. Ik voelde me licht in mijn hoofd worden. Alles werd wit. Ik klapte naar voren. Nu was alles zwart. Wat er precies was gebeurd, weet ik niet, maar zo belandde ik in deze stoel. Hulpeloos in ‘t gips, veilig uit het raam kijkend.

Leave a Reply