Donald Duck
Dit is mijn inzending voor Het Kerstverhaal
—
Na een luide bons, zwiep ik de deur open.
“Ho, ho, ho”, zeg ik. De kinderen gillen van plezier. Hun ogen stralen van tijdelijk geluk.
Ik kijk vluchtig in de spiegel. Mijn vrouw heeft mijn wangen met een dikke laag rouge bedekt. Ik lijk sprekend op de kerstman. Ik ben de kerstman.
“Zijn hier nog stoute kinderen?”, spreek ik met een zware stem.
“Nééééééé”, roepen de kinderen. Ik wilde er geen, maar het werd een drieling. “Net genoeg”, zei mijn vrouw tegen de gynaecoloog toen we het hoorden. De belangrijkste beslissingen worden vaak buiten jezelf om genomen.
Ik neem een van de kinderen onder mijn arm en zeg:
“Oh, ik zie het al, deze is hartstikke stout. Hij krijgt geen cadeautjes.”
Hij trappelt en slaat met zijn vuistjes tegen mij aan van de opwinding. Ik laat hem los.
“Kijk, daar is de kerstman”, zegt mijn moeder die met een glaasje rode wijn op de bank zat. Ze is tegenwoordig een beetje traag van begrip.
“Gaat u hier maar zitten, kerstman”, zegt Ewoud, een van de kinderen, deemoedig. Als de kleine rat de rest van het jaar ook zo braaf was geweest, had pappa geen nieuwe stereotoren hoeven kopen.
“Dank je wel, jongen”, zeg ik en ik knijp hem hard in zijn wang. Ik zie zijn kleine gezichtje vertrekken van de pijn, maar hij slikt en zegt niets. Ik ga zitten. Mijn kostuum is warm en ik moet plassen. Ik heb echter nog een hele zak cadeautjes.
Ik til Arnoud op en zet hem op mijn schoot. Ewoud en Reinoud gaan voor mij op de grond zitten in kleermakershouding.
De namen van de drieling waren ontsproten uit de creatieve geest van mijn vrouw. Toen we een besluit moesten nemen over de namen, zei ik tegen haar: “Het lijkt wel alsof we ze Kwik, Kwek en Kwak noemen.” Die avond mocht ik op de bank slapen. De dag daarop werd ik Donald Duck.
“Wat zou jij nou van de kerstman willen?”, vraag ik aan Arnoud.
“Een pony!”, zegt hij enthousiast.
Ik laat mijn blik gaan naar de zak cadeautjes en vervolgens kijk ik weer naar Arnoud.
“Denk je dat daar een pony in past?”
“Weet ik veel”, zegt Arnoud. De nylon baard jeukt verschrikkelijk. Zweet gutst over mijn rug heen. Ik voel me licht in mijn hoofd worden.
“Oh, wat spannend!”, krijst mijn moeder opeens. Ze kirt en klapt in haar handen.
Ik slik. Ik wil het kind van me afduwen en de kleren van mijn lijf scheuren. Waarom zit ik dan ook náást de kachel?
“Je mag nog eens raden”, zeg ik tegen Arnoud.
“Wat heb je voor me?”, vraagt hij brutaal.
Voordat ik hem van repliek kon voorzien, zegt mijn moeder: “Wat een vlegels, hè, Harry? Snel, schenk me eens een glaasje in.” Ze houdt het lege glaasje voor me. Ik kijk haar sprakeloos aan.
“U mag pappa niet bij zijn naam noemen. Hij speelt de kerstman”, zegt Ewoud vermanend.
Zwarte vlekken verschijnen voor mijn ogen. Wanhopig kijk ik naar mijn vrouw, die inmiddels erbij is gekomen.
“Sorry, ik heb het ze al verteld. Ik dacht dat jij het nog leuk vond om te doen.”
Mijn hart gaat tekeer als een bezetene. Ik stotter en gorgel, maar voordat ik een zin kan vormen verlies ik het bewustzijn.
“Pappa?”, vraagt Arnoud.