Zo gek nog niet

Zijn voeten staken ver buiten de richel van de drieëntwintigste verdieping. Bij elke windvlaag hield hij zijn adem in. Beneden hem verzamelde een groep mensen zich. Hij hoorde hun geschreeuw, maar verstond niet wat ze zeiden.
Telkens dacht hij opnieuw: “Nu moet je springen, je bent immers al zo ver”, maar voordat hij zich ertoe kon brengen, ebde de gedachte alweer weg. Op een vreemde manier leken de hoogte en de rukwinden hem te kalmeren.
Hij deed een spelletje met zichzelf, dat hij wel vaker deed als hij in een angstige situatie was aanbeland; hij stapte uit zijn eigen lichaam en probeerde zich voor te stellen hoe de wereld hem nu zou zien. Een stem uit een open raam naast hem verstoorde hem in zijn fantasie: “Zo, vertel jij maar eens wat er aan de hand is!”
De stem bleek een bebaarde man te zijn met een goedlachs gezicht.
“Ik heb zoveel problemen”, antwoordde hij.
“Ach”, begon de hulpverlener.
“En ik kan ze niet oplossen.”
De hulpverlener streek over zijn baard. Hij zei: “Ik zal het je sterker vertellen. Ik heb mensen gesproken die zoveel problemen hebben dat ze niet eens op een richel kúnnen gaan staan. Jouw problemen zijn hoogstens niemendalletjes. Hoogstens!”
“Wat bent u voor een hulpverlener? Ik sta hier niet op een richel om te horen hoe mijn problemen gebagatelliseerd worden. Als u zo doorgaat, spring ik zeker.” Hij trilde van woede.
De hulpverlener streek wederom over zijn baard. Hij keek even naar zijn horloge en vroeg toen: “Heb je weleens over het leven nagedacht?”
“Ja, tuurlijk! Ik sta hier godverdomme niet zonder reden.”
“Heb je weleens bedacht dat wij iedere dag een beetje lijken te veranderen? Dat wij iedere dag een nieuwe persoon lijken te zijn?”, ging de hulpverlener onverstoorbaar verder.
Deze vraag verwarde hem. Hij begreep niet hoe dit gesprek ertoe zou kunnen leiden dat hij van de richel af zou komen.
“Ja?”, antwoordde hij weifelend.
De hulpverlener streek over zijn baard en knikte geruststellend.
“Je hebt al eerder het plan gehad om er een einde aan te maken, hè? En toen heb je er maar vanaf gezien, hè?”
“Ja”, bekende hij eerlijk.
“Zou het dan niet reusachtig oneerlijk zijn tegenover al die voorgaande jij’s - al die voorgaande personen - om er nu een eind aan te maken, terwijl zij jou met de beste moed in leven hebben proberen te houden? Zou dat geen zelfontkenning zijn?”
Lang dacht hij na. Hij deed er zijn ogen voor dicht. Uiteindelijk klom hij door het open raam naar binnen.
“Weet je”, sprak hij, “eigenlijk is dat zo gek nog niet.”
De hulpverlener knikte en zei: “Naast mijn neurose, die mij dwingt om telkens over mijn baard te strijken, ben ik zo gek nog niet.”

Leave a Reply