Mijn portiek

Er stond een man in mijn portiek. Nu is dit in de grote stad niet ongewoon. Een portiek voldoet uitstekend als schuilplaats bij guur weer. Er zat me echter één ding dwars; het regende niet. Het was zelfs verre van guur weer. Ik nam een kauwgumpje en stapte op hem af met de sleutelbos in mijn hand.
“Weet u soms of het gaat regenen?”, vroeg ik luid kauwend.
“Nee”, zei hij snibbig.
“Oh, pardon”, mompelde ik. Ik duwde de sleutel in het slot en wrikte tot het opende.
“Was ik niet juist in mijn bewoording? Vermoedt u soms dat het gaat regenen?”, informeerde ik opnieuw. Ik sprak de lettergrepen van het laatste woord in staccato uit.
“Nee”, zei hij wederom. “Zoek je ruzie ofzo?”
Hij nam een dreigende pose aan.
“Bent u soms verslaafd?”, pareerde ik.
“Hou je bek toch, wat weet jij nou?”, fulmineerde hij.
“Oh, pardon, vermoedt u soms dat u verslaafd bent?”, vroeg ik voorzichtig.
“Nu ga je eraan, klootzak”, brulde hij. Hij haalde uit. Mijn hoofd sloeg tegen de grond. Ik slikte mijn kauwgumpje in. Ik voelde een opwellende pijn vanuit mijn schaamstreek. Alles werd donker.
“Alles wordt donker”, riep ik.
“Ik ga maar weer eens op huis aan”, zei de man. “Ik denk dat het gaat regenen.”

Leave a Reply