Phil en Dorothy
De lamellen lieten slechts een enkel straaltje door van de zonsopgang. Haar naakte lichaam, waarover nauwelijks dekkend een laken was gedrapeerd, deinde vredig mee op haar ademen.
Phil trok zijn hand van haar heup terug en ging op de bedrand zitten. Hij gespte zijn horloge om en staarde voor een moment naar het schemerige licht. Toen zuchtte hij diep en griste zijn broek van de stoel. Terwijl hij zijn evenwicht probeerde te bewaren en hij zijn tweede been in de broekspijp stak, werd zij wakker.
Ze was zich onmiddellijk bewust van de situatie.
“Phil, moet je werkelijk gaan?”, vroeg ze smekend.
“We hebben het hier vaak genoeg over gehad, Dorothy. Dit is wie ik ben, dit is wat ik doe”, antwoordde hij.
“Gisteren zei je nog tegen mij dat ik het belangrijkste in je leven ben”, zei ze verwijtend.
“Asjeblieft, Dorothy, niet nu. Niet nadat we alles al gezegd hebben wat erover gezegd zou kunnen zijn”, zei hij geïrriteerd. Met een ferme ruk trok hij zijn broeksriem aan.
“Kan je ze niet zeggen dat je ziek bent? Er is vast wel een vervanger”, stamelde ze. Ze zat nu rechtop in bed en had haar handen tussen haar dijen geklemd.
“Er is geen vervanger, en zelfs als er een was, dan blijft het mijn plicht”, antwoordde hij wanhopig.
“Weet je het zeker?”, zei ze, plotseling zwoel.
Ze omvatte haar borsten met haar handen en kneep zachtjes. Ze glimlachte vertwijfeld.
“Ja”, zei hij resoluut. Hij was nu, op zijn schoenen na, volledig aangekleed.
Plotseling bewust geworden van zichzelf, trok ze haar benen op en omklemde ze stevig met haar armen. Haar gezicht verborg ze achter haar knieën.
Ze schokschouderde en draaide haar hoofd af van Phil.
“Ga nou niet zitten grienen”, kreunde hij.
“Je laat me altijd in de steek”, snikte ze.
“Dat is niet waar. En ik kom snel weer terug”, troostte hij.
“Die kans is niet eens zo groot en dat weet je best”, zei ze droef. Ze liet zich op haar zij vallen met haar armen nog steeds om haar benen heen.
“Toe nou”, probeerde hij.
“Nee”, snauwde zij.
“Ik moet gaan”, zei hij. Hij pakte zijn schoenen op en liep naar de deur van de hotelkamer.
Zij sprong uit bed, rende voor hem uit en versperde hem de weg naar de deur.
“Ik laat je niet gaan”, krijste ze hysterisch.
“Je maakt jezelf belachelijk, Dorothy”, sprak hij autoritair.
“Dat kan me niet schelen. Ik laat je niet gaan”, krijste zij opnieuw.
Hij gnuifde en probeerde met zijn arm haar weg te duwen. Ze gaf niet mee. Hij gaf haar een por in haar buik, maar ze bleef standvastig.
Hij sloeg haar met de vlakke hand in het gezicht. Van de schrik en de pijn liet ze zich vallen. Ze bleef rillend en snikkend op de grond liggen.
“Ik laat je niet gaan. Ik wil alleen maar dat je van me houdt”, zei ze ontredderd.
“Ik hou ook van je. We hebben het er nog wel over”, zei hij kribbig en stapte over haar heen. Hij smeet de deur achter zich dicht.
Het zonlicht liet een grillige schaduw achter op haar heup.