Dijen
Toen ik haar in ‘t café aansprak, stootte ik mijn hoofd tegen een pilaar. Macho haalde ik mijn schouders op en begon haar omstandig te versieren, maar ze leek geen oog voor mij te hebben. In plaats daarvan gilde ze het uit: “Je bloedt! Je bloedt!” Ik haalde mijn vingers door mijn haar en kon haar constatering niet ontkennen. Bloed drupte op mijn kleren, in mijn bier, maar bovenal op haar goed gewelfde dijen, die slechts in een klein rokje waren verpakt. “We moeten naar het ziekenhuis!”, schreeuwde ze daadkrachtig. De barman wierp mij een handdoek toe om het bloed te stelpen en zij sleurde mij mee naar de auto. In het ziekenhuis wist zij van me te ontkomen.
Tien jaar, een abortus en toch twee kinderen later kwam ik haar tegen. Ze herinnerde mij nog.
“Hoe gaat het met je hoofd?”, vroeg ze glimlachend. Het was winter en haar dijen waren verhuld in een slobberige broek.
“Goed”, zei ik. Ik grinnikte zenuwachtig en staarde naar de grond (en haar verdwenen dijen).
“Ik moet nog vaak aan de avond terugdenken”, zei ze.
“Ja?”, vroeg ik verwachtingsvol. Ik verlangde nog steeds naar haar.
“Ja, al dat bloed en zo. Het is wel een beetje een trauma geworden”, zei ze quasi-ongeïnteresseerd.
“Oh”, zei ik en liet mijn schouders hangen.
“Maar daar kan jij niks aan doen, hoor”, probeerde ze mij op te peppen. Ze duwde goedmoedig tegen mijn schouder. Weer dat glimlachje.
Ik schraapte mijn keel. “Het volgende kan je misschien gek in de oren klinken, maar ik heb het gevoel dat ik tien jaar na dato uiting moet brengen aan wat ik toentertijd probeerde. Ik stond jou in die bar te versieren en dat heb ik volkomen verhaspeld. Niet alleen was jij, naar eigen zeggen, getraumatiseerd voor het leven, maar was je ook zo plotseling als je in mijn leven verschenen bent weer verdwenen en dat wringt. Waarom hoor ik je vragen. Omdat ik nu eenmaal op die geile dijen van je val, en we simpelweg bij elkaar passen. Dus zoen mij en zeg nou gewoon dat ik je prins op het witte paard was, en hoewel een relatie tussen ons twee voor altijd onmogelijk zal zijn, we altijd met de gedachte moeten leven dat we van elkaar houden”, bekende ik aan haar.
Het moment was juist om een flinke zucht te slaken. Ik was opgelucht.
Ze had aandachtig naar mij geluisterd en bracht nu haar hoofd nader tot het mijne. Ik voelde haar adem op mijn gezicht.
Ze zoende mij hartstochtelijk en fluisterde mij in het oor: “Een prins op het witte paard ben je niet.” Ze stokte even.
“maar lullen kan je wel”, voegde ze daaraantoe en verdween voorgoed uit mijn leven.