Grafschennis

“Luister, doodgraver, dit is grafschennis!”, brulde ik.
De doodgraver spitte onverstoord door mijn botten op zoek naar iets waardevols. Er kwam aarde in mijn kist en mijn botten rammelden.
“Er is niets van waarde in mijn kist. Geef me mijn zielenrust, sluit mijn kist en demp mijn graf! Jullie doodgravers hebben de moraal verloren - na de dood kan je niet langer van een ander profiteren”, raasde ik.
De doodgraver keek even op en rook hoorbaar met zijn haakneus. Zijn ogen schoten heen en weer. De wind was guur en als bescherming had hij zijn kraag van zijn jas opgestoken.
“Wat ruik je?”, sneerde ik, “heeft de Dood je ingehaald?”
Hij ontdekte een tand en bekeek hem in het vale maanlicht. Het was geen goud, maar de doodgraver geloofde mij toch niet op mijn woord. Hij leunde wat voorover, zodat hij met zijn hand op de rand van mijn graf steunde en beter de tand kon zien. De aarde onder zijn hand brokkelde af en hij tuimelde in mijn graf. Zijn hoofd sloeg tegen de bodem van de kist, waarop hij bewusteloos raakte. De klap veroorzaakte dat het deksel dichtviel.
En zo zei ik tot de doodgraver, nu verenigd met mijn versplinterde botten: “Ik heb mijn kist laten bekleden met velours. Voel je het? Is het niet zalig? Zou je er niet een eeuwigheid op kunnen liggen?”

Leave a Reply