Een driewieler

We hadden allebei een driewieler en deden wie het hardst kon verongelukken. Ik had me goed voorbereid en tomatensaus met wat water verdund, zodat het op echt bloed leek. Mijn buurjongen was niet zo doordacht, maar reed des te roekelozer. Zijn drie wielen rammelden vervaarlijk als hij bochten nam, zijn blik was verwilderd. Ik probeerde hem bij te houden en gaf mijn trappers alles wat ik had. Hij moedigde mij onverstaanbaar aan, omdat hij enkele stompjes tanden, als trofees, onder zijn tong bewaarde. We zouden toch allebei in het ziekenhuis belanden. Dat stond buiten kijf.
Hij klapte een aantal maal tegen autodeuren, daarbij krassen en somtijds een deuk achterlatend, en ik raakte gespecialiseerd in het over de kop vliegen bij stoepranden. De regels waren onduidelijk en daarom wilden wij geen van twee de ander als winnaar erkennen.
We raakten een dame op leeftijd. Ze sloeg voorover en de brug van haar bril sneed in haar neus. Haar verteerde lichaam spoot onmiddellijk bloed en even wilden we haar de eer ten dele doen vallen. Mijn buurjongen spoog op haar en ik hobbelde over haar heen.
Mijn buurjongen fietste, ik racete. Hij peddelde, ik vloog. Geparkeerde auto’s naast ons leken een brij van kleuren te worden en de markeringen op de grond werden één rechte lijn. Bergafwaarts maakten we nog meer vaart. Ik rook het rubber van mijn banden. Er dook een vrachtwagen op van links. De vrachtwagen schepte mijn buurjongen. Zijn hoofd werd tegen de grond geslagen. De vrachtwagen remde onmiddellijk en blokkeerde de weg.
Ik ging nog steeds voort - mijn naderende ondergang tegemoet. Ik kon niet remmen; mijn driewieler leek het te begeven. De vrachtwagen kwam steeds dichterbij. Ik probeerde uit te wijken, maar het stuur gaf niet mee. Ik knalde met nog volle snelheid tegen de vrachtwagen, terwijl ik mijn moeder in de verte hoorde roepen of we misschien limonade kwamen drinken.

Leave a Reply