Lustrumviering
De hele club stond hossend en lallend op het dak feest te vieren ter ere van ons vijfjarig bestaan. Vijf jaar bestaan is op zich niet een prestatie, maar bij gebrek aan evenementen hebben we dit als feestmoment uitgekozen. De leden van de club waren het er roerend mee eens en laafden zich aan drank en muziek. Ik leunde over de balustrade en rochelde af en toe naar beneden. Iemand stootte mij aan.
“Vind je ‘t een goed feest?”, vroeg hij, die een bestuurslid bleek te zijn.
“Ik mag niet klagen”, zei ik diplomatiek.
Hij nam een slok bier uit een plastic bekertje en spuwde het over de balustrade heen. Hij stonk naar alcohol en zweet. Hij zag er ook als zodanig uit. We werden door de menigte, die nu volksdansen had opgepikt, tegen de kant geduwd. Ik glimlachte nerveus naar mijn beknelde kameraad, die zich ook nu wat onbehagelijk voelde.
“Hoeren”, riep iemand.
Er was geen reden toe. We waren slechts een paar vrijpostige studenten, die dachten dat het dak van de universiteit uitstekend geschikt zou zijn voor hun lustrumviering.
Ik ging op de redelijk brede balustrade staan om wat meer overzicht te krijgen. Het bestuurslid volgde mijn voorbeeld, maar verloor zijn evenwicht en kukelde over de rand. Ik hoorde hem doodskreten uitslaan. Ik keek naar beneden. Ik zag zijn verwrongen lichaam op het plaveisel liggen. Ik klom van de rand af en waadde mij door de nog steeds uitzinnige menigte, die niets van het tragische ongeval vernomen hadden, naar de uitgang. Wat ik dacht was niet belangrijk. Ik dacht niets.