Verlossend

“Zullen we wat afspreken?”, vroeg zij spontaan.
Ik wist niet wat ik hoorde. Ik herhaalde langzaam de woorden in mijn gedachten, legde de nadruk steeds anders en voegde ontkennende woorden toe: zullen we niet afspreken? zullen we afspreken dat we niets doen? De eer die zij mij overhandigde - zonder dat zij daarvan bewust was - was zo onnoemelijk groot, dat mijn gezicht voor een moment straalde van genot. Dit merkte zij op en terstond vroeg zij wantrouwend: “Wat valt er te lachen?”
Ik aaide haar over de wang, maar zij trok haar gezicht terug en verborg zich achter heur haar.
“Er is niets te lachen”, bevestigde ik, “ik vond de gedachte om met jou iets af te kunnen spreken verlossend.”
“Verlossend?”, zei ze nog steeds argwanend, “jij bent een rare.”
Er kwam een fietser langs. Hij viel. We deden beiden alsof we het niet zagen. Vanuit mijn ooghoek zag ik dat hij omhoog krabbelde, zijn knieën inspecteerde en weer op zijn fiets stapte.
Ik probeerde het gesprek weer op gang te brengen: “Maar wat wil je afspreken?”
“Gewoon, ik weet niet, het is maar een ideetje”, zei ze geforceerd onverschillig.
“Ik mag wel komen, hè?”, grapte ik.
“Ja, tuurlijk”, zei ze kribbig. Ze had niet gemerkt dat ik weer naar haar lachte.
“Zullen we naar de bioscoop gaan?”, zei ik voorzichtig.
Het terrasje waar we aan zaten was helemaal leeg. Het was ook wintertijd. Ik zag net de eigenaar met zijn vinger tegen zijn voorhoofd tikken en vervolgens onze richting op wijzen. Ik geloof dat hij bedoelt dat we een tikkeltje geschift zijn.
“Best”, antwoordde ze en ze haalde haar schouders op.
“En wanneer? Nu?”, drong ik aan.
“Best”, antwoordde ze weer en ze stond op. Ik bleef zitten.
“Je weet zeker dat ik mee mag?”, vroeg ik schaapachtig.
“Ja, natuurlijk!”, riep ze niet langer verlegen.

Leave a Reply