Oude komedies
Als ik oude opnames van komedies met een beschamende belichting zie, word ik meestentijds door een gevoel van melancholie overmand aan het einde van de film. Niet zozeer omdat ik mij zo betrokken voelde bij de film of dat het einde zelf mij zo diepgeroerd heeft, maar omdat geluk nu voor eeuwig is vastgelegd.
Die saamhorigheid onder de acteurs - vaak te zien bij de aftiteling -, die inmiddels allang verbroken en vervlogen is, is zo ontroerend dat ik er gerust een potje om kan gaan grienen.
Sommigen van de acteurs overlijden, anderen spelen daarna nog enkele onbeduidende rollen en weer anderen worden echte sterren en verklaren openlijk dat ze seksueel misbruikt zijn (of dat ze alles geplaybackt hebben). Het kan me niet deren; ze zijn allemaal schuldig aan elkander verlaten.
Ze hebben het serene geluk verstoord in plaats van het te koesteren. Wat is er schoner dan een vriendschap? Streven we niet allemaal geluk na?
Er kan maar een reden voor dit gedrag zijn: al dat intieme geluk, al die vriendelijke plagerijtjes, het is allemaal gefingeerd. Opgeklopt zodat de filmmaatschappij eendrachtig naar buiten kan komen en een gezellige, kleinburgerlijke productie naar de huiskamer kan brengen.
En met die gedachte bekijk ik voortaan mijn films, hopend tijdens de epiloog een geveinste emotie te kunnen waarnemen om mijn nijd te bevestigen.