Buschauffeur

Buschauffeurs hebben om een onverklaarbare reden de pik op mij, met hun loerende ogen en hun verwijtende gezichten. Als ik mijn studentenkaart - het toonbeeld van liefdadigheid - ter inspectie toon, vallen hun ogen weg in de slagschaduw van hun oogkassen en is de beleefdheid onmiddellijk verdwenen. Ze weigeren mij een teken van bevestiging te geven; met onuitgesproken afkeur bezien ze mij. Ik mag doorschuifelen. Schielijk moet ik een plaats of een stang voor houvast zien te vinden, vermits ik anders languit in het gangpad lig, zoekend naar mijn tanden.
In het geval dat ik een plaats heb gevonden, zijn er nog steeds regels die ik in acht moet nemen. Hoewel ik langs de hellepoort ben gekomen, word ik nog steeds bespied vanuit de spiegel, controlerend of ik mij wel vroom gedraag: voeten van de bank en tas op de grond. Met mijn tas tussen mijn benen geklemd, opgevouwen tussen chemisch ruikende stoelen, moet ik de reis in eenzaamheid doorbrengen. Of bij tijd en wijle geplet door een dikke dame, die de moed heeft om naast mij neer te zijgen, en een blokkade van menselijk vlees is als ik er eerder uit moet dan zij.
Slechts een tas op de stoel naast mij kan mij behoeden voor zulke hachelijke situaties, want mensen zijn schuw als ze een ander moeten verzoeken zijn tas verplaatsen. En daar heeft de buschauffeur het op gemunt, waardoor hij, als laatste nawee van wraak, mijn bushalte overslaat of vergeet de deur voor mij open te doen. Op zo’n moment mompel ik zachtjes de woorden: “Ik hoop dat u een goede reis hebt gehad en tot ziens!”

Leave a Reply