Grotesk Klein
Gepost door jorrit in Fictie, Wedstrijd op 31 januari 2002eerste prijs schrijfwedstrijd Theater Camuz
“Gefeliciteerd”, weerklonk in zijn oor en maakte hem wakker. Vanuit zijn schuilplaats onder zijn deken kon hij in het diffuse ganglicht het silhouet van zijn moeder herkennen. Het kon ook niet anders mogelijk zijn: het peervormige lichaam, dat nagenoeg op een pudding leek, maar eens zo glad en stevig als plastic was. Haar vrolijk stemgeluid, waar allengs een nasale zeur in begon te sluipen en het zachte schuren van de spijkerstof tussen haar dijen, terwijl ze op hem afliep. Zijn zintuiglijke waarnemingen trok hij niet langer in twijfel en kroop uit zijn cocon van beddenlakens.
“Hoe voelt het om al tien jaar te bestaan? Heb je wel kunnen slapen vannacht?”, vroeg ze geïnteresseerd. Ze zat naast hem en streelde door zijn haren, terwijl hij langzaam zijn omgeving gewaar werd. Hij begreep niet waar zijn moeder op doelde. Hij leed aan insomnie en las zichzelf meer dan eens klem in een werk van Dostojewski of rookte sigaretten, terwijl hij naar National Geographic Channel keek. De oorzaak van zijn slapeloosheid was hem nochtans onduidelijk, maar dit was niet hetgeen waar zijn moeder naar vroeg. Zijn moeder wist niet dat hij eraan leed, sterker nog, ze ontkende het en gaf hem derhalve geen barbituraten, narcotica of alcoholica om zijn hyperactieve hoofd tot kalmte te manen. ‘Nee’, bedacht hij, ‘ze meent dat ik mijn geest niet kan afhouden van de bij een verjaardag gebruikelijke cadeautjes.’ Ieder jaar kreeg hij dezelfde stompzinnige geschenken, waarvoor hij bedankte met een schamel kusje, alvorens ze in een hoek te werpen als zijnde prullaria.
“Ik heb aangenaam geslapen vannacht, moeder. Dank u voor uw interesse”, zei hij diplomatiek. Hij gleed langs zijn moeder het bed af. “Ik ga ontbijten”, zei hij en trok zijn ochtendjas aan. Hij strompelde de trap af naar beneden, waar zijn vader aan de ontbijttafel zat.
“Tien jaar alweer! Voor je het weet kom je met je eerste vriendinnetje thuis!”, riep zijn vader opgewonden. “Ik zou er niet op rekenen”, zei de tienjarige bits. “Ik geloof dat de Jarige Job met het verkeerde been uit bed is gestapt”, concludeerde zijn vader. De Jarige Job keek over de tafel en zag bij zijn bord een slijmerig vruchtendrankje staan in plaats van de gewenste koffie. “Waarom is er geen koffie voor mij?”, riep hij verontwaardigd. Zijn moeder was achter hem aangekomen en nam nu het woord over. “Iemand van jouw leeftijd hoort geen koffie te drinken”, zei ze stellig. “Ik ben die iemand niet, hoor je?”, tierde hij, “Het enige wat ik wil is een kop koffie bij mijn ontbijt, hoe ongepast het ook zou mogen wezen in jullie ogen. Ik wil al mijn verjaardagscadeaus; de dozen LEGO, de gecastreerde action figures en de zakken reuze-reuze-reuzeknikkers, vervangen door een smakelijk kopje koffie bij mijn ochtendmaaltijd.” Hij wist dat hij te ver ging, maar hij voelde dat hij iets moest doen.
“Nu is het mooi geweest”, gebood zijn vader met vuur in z’n ogen, “je gaat maar even op je kamer afkoelen!” De getergde tiener maakte moedeloos een afwerend gebaar en sjokte de trap op. ‘Ik zou het moeten laten. Ze hebben het beste met mij voor’, dacht hij weemoedig.
Hij lag op zijn bed en hield een spiegel voor zijn gezicht. De aanblik liet hem veelal relativeren, mits hij niet te treurig uit zijn ogen keek. Zijn gezicht was vlekkerig, omdat hij had gehuild edoch kende hij de reden niet. Hij schreide om niets, maar de dood van miljoenen mensen iedere dag liet hem onbekommerd. Hoe futiel was zijn leven.
Hij legde de spiegel onder zijn bed en plaatste een asbak op zijn borst. Hij pakte een sigaret uit zijn pakje Davidoff. De kop lichtte op door de vlam van zijn Zippo en zijn trek naar nicotine. Door de sigaret, al rollend tussen zijn duim en wijsvinger, tegen de bodem van de asbak te schrapen, hield hij de kop schoon van grijze as.
‘Ik wil niet door mijn tantes in mijn wangen geknepen worden en zogenaamd vertroeteld worden door mijn moeder. Ik wil geen speelgoedauto’s of zakken snoep hebben. Ik ben niet wie jullie denken!’, brulde een stemmetje in hem. Hij stond bruusk op en hees zich driftig in zijn kleding. Hij liep de trap wederom af en stapte parmantig richting voordeur zijn ouders bewust negerend.
“Bliepbliep” deed de auto, toen hij de afstandsbediening hanteerde. Zijn bliepbliep was een Bentley Continental T. Hij stapte erin, liet de motor ronken en drukte het verhoogde gaspedaal overmoedig door vanaf zijn geïmproviseerde troon van boeken. De auto gilde even ter bevestiging, maar uit een automatisme schakelde hij naar de volgende versnelling en reed de Bentley nagenoeg slippend de straat uit. Leve de middelpuntzoekende kracht!
Zijn eerstvolgende doel zou het pompstation zijn, waar hij bier en sigaretten zou kopen. Daarna zou hij de Bentley naar een afgelegen plekje sturen, waar hij de gehele dag mistroostig zou doorbrengen.
Bij het tankstation aangekomen, parkeerde hij de wagen bij een pomp, ofschoon hij geen benzine nodig had en liep de aangelegen winkel binnen. Achter de kassa stond een stereotype kassameisje met helrood gelakte nagels en stinkende bubblegum. De desinteresse voor de dingen des levens straalde van haar af. Hij pakte een six-pack bier en liep naar de toonbank voor zijn sigaretten en om af te rekenen.
“Wat moet je met dat bier?”, vroeg ze al kauwgum kauwend. ‘Daar gaan we weer’, dacht hij moedeloos. “Opdrinken en daarna jou verkrachten”, respondeerde hij gewaagd. De truuk van ‘Mijn vader is een invalide alcoholist’ zou toch niet werken. Hij had het al bij voorbaat opgegeven. “Rot op, dwerg!”, snauwde zij. Hij luisterde braaf en sukkelde de zaak uit. Het sluiten van de automatische schuifdeuren klonk als een dreun.
Hij stapte in de Bentley, reed deze de weg weer op en passeerde een aantal malen kruispunten, waar hij de stoptekens negeerde. ‘273 kilometer per uur stond er in de specificaties van deze auto’, bedacht hij, ‘Hoe zouden ze zoiets testen?’ Hij trok de boeken onder zijn billen vandaan en drukte het gaspedaal tot de bodem in.
