Lekker Ding - Hoofdstuk 6

Hoofdstuk 6

Ik heb een legio mogelijkheden om mijn middag op te vullen. Ik zou oudjes kunnen overtuigen dat rood de nieuwe kleur is voor groen licht, ik zou kunnen flaneren rond plaatsen waar gebouwen in constructie zijn en wachten tot een sukkel het lef heeft mij aan te spreken, ik zou mannen in het winkelcentrum kunnen overtuigen dat ik de ideale echtgenote voor hen ben en niet de snol die naast hen loopt, ik zou een gratis bioscoopje kunnen pikken door een anonieme bommelding te doen of ik zou mijzelf eindelijk eens arbeidsongeschikt kunnen verklaren, op de bank zitten en wachten tot het geld binnenstroomt. Niets van dit alles prikkelt mijn fantasie. Been there, done that, behalve die uitkering dan. Ik moet daar nog steeds eens achteraan, want al mijn extra zwart bijgewerkte verdiensten zijn nauwelijks toereikend voor wat extra luxe. Ik kan mezelf nauwelijks miljonair noemen! Nou vraag ik je! Alhoewel, een beetje slijmen bij Guggenheimer en ook dat lijkt me geregeld. Die man stikt van het geld en desnoods keelt hij het één en ander om mij een paar extra miljoentjes te gunnen. Laat ik daar niet verder meer over denken en gewoon een plan maken. De zon schijnt mooi voor een winterse dag, dus ik besluit rond te kuieren over straat. Het zal me niks verbazen of er gebeurt iets, wat mij door de dag zal helpen.
Ik loop en ik loop. Nochtans gebeurt er niks. Er ligt een verdaasde zwerver, die mij zelfs in ‘t Engels durft te vragen of hij mij voor een kleine donatie kan gebruiken. Tijdens het vragen bonkt zijn hoofd onophoudelijk tegen de muur waar hij tegen steunt. Ik peins even over zijn vraag en geef hem met mijn voet een welgemikte trap tegen zijn adamsappel. Zijn hoofd slaat achterover en knalt tegen de muur. Hij grijpt onmiddellijk naar zijn keel en roept gorgelend met een buitenlands accent: “Trut!”
Zijn blote arm is zichtbaar geworden en bij zijn elleboogholte zie ik een flink aantal kleine wondjes. Het is een junkie. Ik hekel junkies, want ze hebben geen enkel besef van schoonheid. Ze zien mijn schoonheid niet en zijn ook nog eens arm. Ik zou de Messias zelve zijn als ik deze jongen de dood in schop. Toch verkies ik een uppercut. Weer slaat zijn hoofd tegen de muur en tussen zijn vettige haren kruipt bloed naar beneden. Zijn ogen tollen en als laatste daad voor bewusteloosheid spuwt hij een zwartige eruit geslagen tand naar mij. Ik schok naar achteren, weet de tand handig te ontwijken, maar sta met mijn hakken in de hondenpoep. Het Lot is hard voor mij. Dat mag duidelijk zijn. Ik veeg mijn mooie glimmende schoenen aan zijn vale grijze kostuum af en geef hem een luchtkusje als vaarwel.
Hoe komt het toch dat buitenlandse junkies wel in het Nederlands hebben leren schelden, maar geen greintje beleefdheid bijgespijkerd hebben gekregen?
Nu pas bemerk ik de enige omstander bij deze knokpartij. Een oud dametje staat hoofdschuddend aan de overkant met haar ratachtige hondje mij te verafschuwen. Ik stap op haar af, maar zij probeert de benen te nemen. Jammer genoeg kan haar hondje slechts drentelen, want zo gaat dat met schootbeesten. Ik haal haar in en spring met beide hakken op haar hond. De lijn, die aan haar en het hondje gekoppeld zat, trekt strak en het dametje tuimelt achterover. De hond jankt en piept, terwijl er een klein plasje bloed zich om hem heen uitbreidt. Ik ben een dierenliefhebber, maar ratten moeten in alle gevallen dood. Het oude vrouwtje huilt en jammert dat haar tijd nog niet gekomen is. Ze durft zelfs de hulp van God in te roepen in deze barre tijden. Ik kan niet tegen huilende vrouwen. Het laat zien dat het zwakke geslacht zwak blijft. Ik besluit haar tas te pikken en zonder verder oponthoud loop ik de straat uit.
Ik twijfel wel eens aan mezelf. Ik vraag me af of ik verstandig ben, wanneer ik junkies uppercuts verkoop en dametjes van hun tasje beroof. Een stemmetje in mij roept dan volmondig ‘ja’, ware het niet dat stemmetjes in mij geen mond kunnen hebben en zeker niet vol van klanken, dus dat is psychopathisch gelul.
Feit blijft dat ik soms onzeker ben. Zelfs perfecte mensen zijn onzeker, want ideaal zijn geeft geen belemmeringen. Ik praat wel eens met mensen die overleggen. Het woord alleen al: overleggen. Zo’n smerige g-klank die je uit je huig moet stoten, terwijl het vanzelfsprekend nergens op slaat. Wie legt er wel eens over? En waar leg je het dan over? Is er een bepaalde drempel waar je het overheen moet leggen, nadat je hebt overlegd? Pathetisch gezeik.
Eén keer heb ik voor iets onbetekenends overlegd, simpelweg om te zien wat eruit zou komen. Ik zat in een bar met een geile zakkenwasser naast mij, hoewel allengs op mij, te overleggen. Ik vroeg me af of ik er goed aan deed als ik eens zou wisselen van supermarkt. Ik koop graag bij de Albert Heijn, want je bent toch behoorlijk stuurloos als je je naam durft te gebruiken bij een bedrijf dat bij voorbaat gedoemd is. Kortom, Albert was een visionair en wist dat een kruidenierszaak een miljardenbedrijf zou worden. Ik was dus bij die zakkenwasser in die flutbar. Ik vraag aan hem of C1000 nog enige kwaliteit kan garanderen. Begint hij me toch een verhaal af te steken over kortingen en dat je met C1000 degelijke producten in huis haalt. Halverwege heb ik hem onderbroken en vertelt dat Albert Heijn toch al veel langer bestaat. Hij zakte terug in een diep nadenken, totdat hij me opeens vertelt dat het geenszins van belang is bij welke zaak ik koop. En dat noemen ze verdomme overleggen! Die lul praat gewoon een beetje mee over hetgeen hem het beste uitkomt. Ik had geen behoefte aan een dergelijke eclectische casanova en heb hem met de rekening van die avond opgescheept. Ik kan je verzekeren dat ik veel heb gedronken die avond. Vooral cocktails, want die zijn schandalig duur. Ik zou zelf nooit cocktails kopen als ik niet zo denderend mooi was en altijd een onwetende geile bok naast me.
Nu sta ik midden op straat met een tasje, wat ongetwijfeld bij de Zeeman is gekocht, want die mensen weten kwaliteit voor een betaalbare prijs te verkopen. Dat is tenminste wat ze roepen, want het schijnt dat je spontaan uitslag krijgt als je iets van kledingwaar bij ze koopt. Laat staan dat je ook nog het lef hebt om hun spullen aan te trekken. Ik weet niet eens zeker of ze wel oude-wijventasjes verkopen, maar ze zouden het eens moeten doen. Geheid dat de hele vergrijzende tehuisbevolking van Nederland voor de deur staat om een wel echt nep krokodillenleren tasje aan te schaffen.
Het wordt dus tijd om de inhoud van het onding te inspecteren. Ik grabbel en trek een zakdoek. Die mag voortaan dienst doen als straatvuil. Het volgende is een portemonnee. Normale mensen, en ik leg de nadruk op normaal, hebben geld in hun portemonnee zitten. Nu klinkt het zeer vreemd en onaannemelijk, ja, zelfs ongelooflijk, maar deze mevrouw heeft werkelijk niets in haar portemonnee zitten, behalve enkele zogenaamd vertederende foto’s van haar kinderen in jonge jaren of haar actuele kleinkinderen. Het dunkt mij dat ze die niet elke dag zelf bekijkt, dus ze zal vast en zeker straten en winkels afstruinen om haar nazaten aan kennissen en vrienden te laten zien. Zo op het eerste gezicht zijn het een gezond stel secreten, maar als je goed kijkt, en God weet dat ik gelijk heb, zou die bolle best wel eens kanker achter zijn hart kunnen hebben en die magere heeft de kop van een AIDS-patiënt. Ja, foto’s geven vaak geen ziektes prijs, maar de onverschrokken waarheid achterhaalt het wel. Die trut, die nu met een geplet hondje op de grond ligt is warempel de stammoeder van een ziekelijk stelletje ongedierte. Achterop de foto’s staan de namen van het klootjesvolk. Nog dement ook. Ik begrijp nu waarom ik haar zo heb gepijnigd. Bikkelhard, maar immer rechtvaardig. Deze portemonnee mag het riool gaan bezoeken.
Goedkope sieraden, lipstick met helende werking, aldus de verpakking, hartpillen, briefje met wie te bellen in geval van nood, batterijen, keelsnoepjes, boterhamzakje met, naar ik vermeen, hondenbrokjes, cursusboekje Frans voor beginners, een uitklapbaar spiegeltje in hoesje, enkele uitgescheurde contactadvertenties voor 50-plussers, beeldje met Jezus in een lieskramp, een leesbril, nog een zakdoek, ditmaal met klonten, een brillendoekje, papiertje met boodschapgekrabbel: kaas, tandpasta, hondenbrokken en pijnstillers. Ze had ongetwijfeld nog veel meer, want de tas voelde nog steeds zo vol aan, nadat ik die zooi eruit had gegooid, maar de nieuwsgierigheid was mij volledig ontnomen en ik heb het maar weggesmeten.
Nu loop ik wederom over straat. Te veel vrije tijd; dat is het probleem. Ik werk niet, want dat is voor de domsten. Ik sta niet mijn hele leven elke werkdag om acht uur op om met een vermoeid gezicht en een nuchtere maag op ‘t werk te verschijnen en tot vijf uur door te raggen, in het weekend vrouw en kinderen uit te kafferen en tevens te vermaken om vervolgens, als de lichamelijke vertering al het leven heeft opgevreten, nog met een tevreden glimlach op het gelaat in de eeuwige slaap te dommelen. Ik schuif hierbij de gehele nature-versus-nurture-discussie opzij en besluit dat het mis is gegaan bij de bevruchting. Ik denk zelfs dat er niet enkele genen radicaal gemuteerd zijn, maar botweg ontbreken om zo oerstom te zijn. Jezus, wat ben je dan psychisch een warrige entropie van grijzige drab als je jezelf zo voor de gek weet te houden. Nee, ik heb duidelijk het betere leven gevonden. Ik ben overtuigd.
Ik ga naar Guggenheimer. Wat een lumineus idee. De gerimpelde man zit vast in zijn berceuse voor het raam te wiegen en te wachten tot ik hem met een bezoek kom verblijden. Eén kleine kus op zijn wang en hij gloeit van binnen op. Dit oudje heeft een ellenlange kerfstok van zonden, maar is schijnbaar onbedorven en onschuldig. Hij bevalt me wel; ik ga bij hem langs; ik weet het zeker.
Ik besluit niet langer te lopen en kies een geschikte bushalte uit om Guggenheimers kant op te gaan. De bushalte is zoals gewoonlijk smerig en de zittingen, gemonteerd aan het hokje, zijn besmeurd met afdrukken van moddervoeten. Het kleine onbestrafte vandalisme is het vuilmaken van publiek eigendom. Ik geef er niet veel om. Ik zit niet graag.
Ik leun tegen de glazen reclamebak, die waarschijnlijk niet meer van glas gemaakt wordt, maar met één of ander synthetisch doorschijnend spul. Ik heb mij een keer laten vertellen dat een trap ertegen geen effect heeft, maar een goede baksteen treffend geworpen wel zijn werk doet. De poster is geenszins de moeite waard. Een slanke den, misschien iets te slank, laat haar nieuwste setje ondergoed zien voor het buspubliek. Ze lijkt erg gelukkig met haar lingerie. Ik verkies toch meer kleding in de winter. Zeker als ik zo weinig vet om het lijf zou hebben als zij.
Ik leun en zie aan de overkant een groep gekenmerkte randgroepjongeren lopen. Het zijn voornamelijk jongens, maar in het midden loopt een meisje, die natuurlijk alle aandacht krijgt. Eén van de jongens probeert haar te imponeren door een achteruitkijkspiegeltje van een auto te trappen. Hij raapt het op en laat haar zien dat je het als een poederspiegeltje kan gebruiken. Weinig geïnteresseerd neemt ze het aan en vanaf deze afstand valt zelfs te horen dat ze met hese stem dankjewel zegt. Ik heb zin om te stoken.
Ik roep: “Doen we een beetje voorzichtig met andermans spullen of ik bel de politie!”
De jongeren stoppen met dollen en kijken mijn kant uit.
“Wie denk je wel dat je bent, trut?”, reageert het meisje als eerste.
“Ja trut!”, staat de autovandaal haar bij.
“Ik zou je moeder kunnen zijn! Noem jij je moeder ook trut?”, schreeuw ik terug.
De autovandaal zwijgt, maar het meisje schreeuwt vurig: “Als ze net zo is als jij bent, ja!”
Het meisje is duidelijk ook een trut in spé. Ze zal met de verkeerde man trouwen, die haar niets dan kwelling brengt en krijgt te vroeg kinderen. Haar kinderen zijn allemaal enfant terrible en presteren niet op school. Haar man zal beginnen te drinken voor twaalven en zal slechts in het openbaar plassen, want dan is de drang het grootst. Er zullen zelfs momenten zijn dat ze hem moet helpen met plassen, omdat hij te bezopen is om zijn piemel naar behoren vast te houden. Ik heb medelijden, maar medelij is voor de bekommerden. Die autovandaal is overigens een goede kandidaat voor haar.
“Het lijkt mij dat dát wel zo is, als ze zo iemand als jij heeft voortgebracht”, roep ik naar de overkant.
“Wat weet jij nou van mijn moeder?”, krijst ze pissig.
“Meer dan je denkt. Sterker nog, ik ken haar!”, bluf ik.
Eén van de jongens probeert over te steken, zodat hij mij in het gezicht verrot kan schelden. Het is de autovandaal. Gelukkig komt net de bus aangereden en belemmert zijn overtocht. Ik stap in en de deuren sluiten achter mij. De jongen roffelt met zijn vuisten op de deur, maar ik zeg tegen de chauffeur dat hij maar beter niet de deur kan opendoen en snel moet wegrijden. De chauffeur gehoorzaamt en geeft gas.
“Waar ging dat om?”, vraagt de chauffeur bij een stoplicht, doelend op de driftige jongen.
Ik negeer de vraag en zeg zakelijk: “Naar Guggenheimer.”
“Is dat niet die maffiabaas? Ging het daarom?”, vraagt de buschauffeur nieuwsgierig.
“Je vraagt te veel, maar weet te weinig”, antwoord ik mysterieus.
De chauffeur kan daarmee inkomen.
Hij zegt, van de kaart gebracht: “Gaat u maar ergens zitten.”
Opvallend is dat ik geen strippenkaart heb gekocht of iets heb betaald. Misschien komt de rekening later. Ik neem plaats achter de bestuurder en leg mijn hoofd tegen het raam. Een mens zou zeggen dat een busreis voor een persoon als ik avontuurlijk verloopt, maar niets is minder waar. Er gebeurde werkelijk geen flikker. De bus was ook helemaal leeg en de chauffeur rijdt te geconcentreerd om mij met vragen te bestoken. Heerlijk. Zelfs enige tijd geslapen tegen het schokkende raam. Met een voldaan gevoel stap ik uit.
“Zie ik je nog terug dadelijk?”, vraagt de chauffeur smachtend.
“Straks, aan de overkant”, antwoord ik vermoeid.
“Ok, dan zie ik je daar” en hij rijdt weg.
Ik wandel naar Guggenheimers oprijlaan. De buurt is rustig en eventjes lijkt de zon door te komen en mijn gezicht met warmte te bestralen, maar ik hou het op een fata morgana. Er is geen zon; het is winter for crying out loud! Wees depressief! Luister naar de dokters en zeg tegen jezelf dat je een psychisch wrak bent. Zeg dat je geestelijk opgevreten wordt door melancholie en pijn. Ik doe het niet, want ik ben het niet. Het leven is hier en ik leef het leven.
Voor het hek met tierelantijnen staan enkele politiewagens geparkeerd. Ik herinner me de discussie met Roos over de kleurigheid van politiewagens en schud mijn hoofd. Als ik een misdadiger zou zijn, zou ik nu nog bijtijds kunnen wegspurten, maar ik vrees geen justitie, want ik ben niet misdadig.
Ik wandel naar het oproer. Een jong broekje, die zichzelf net politieagent mag noemen, komt met de bibber in zijn benen op mij afgestevend. Hij brengt mij tot een halt. Ik wacht rustig tot hij begint met spreken.
“Stop! Wat komt u hier doen? Moet u daar zijn?”, vraagt hij stotterend, terwijl hij naar het huis wijst.
“Ja, dat kan wel eens kloppen ja”, antwoord ik onschuldig.
Deze jongen krijgt me zo snel nog niet te pakken. Terwijl hij doorbrabbelt, zoek ik naar mogelijkheden om te ontsnappen.
“Wat moet u daar doen?”, dramt hij door.
Dat zijn z’n zaken helemaal niet! Hij kan medewerking van mijn kant voor altijd vergeten. Kiss your sweet ass goodbye!
“Op bezoek, bij opa”, antwoord ik smalend.
“Geintje zeker. U bent vast de maîtresse van Guggenheimer. Mag ik u een paar vragen stellen?”, concludeert het broekenmannetje.
Die gozer is in de eerste plaats voor geen gat te vangen. In de tweede plaats heeft hij het lef mij een maîtresse te noemen, terwijl het overduidelijk is dat ik die oude lul nauwelijks heb aangeraakt en in de laatste plaats: heeft hij net niet al genoeg vragen gesteld?
“Nog meer?”, verzucht ik.
“Ja, wat is uw naam?”, antwoordt hij.
Nu moet ik vluchten. Het wordt mij hier te heet onder de voeten, dus Guggenheimer mag het zelf oplossen. Ik heb hier geen zin in. Ik heb geen zin om op te draaien voor zijn malafide praktijken. Het zou zelfs onrechtvaardig zijn. Mijn God, mijn mooie gezicht mag niet de bak indraaien!
Ik hoor Arie roepen, die onverwachts buiten mijn zichtbereik is verschenen voor het hek of ergens rondom. Zijn precieze locatie blijft gissen, maar hij is in de buurt.
“Pak dit eens aan, vuile joden!”, schreeuwt hij en opent het vuur op de kliek.
De agenten duiken ineen en schuilen achter hun auto’s, die nu bewerkt worden door Aries machinegeweer. Met hun pistolen schieten ze ongericht terug, wat Arie blijkbaar alleen maar nijdiger maakt, want een tweede salvo mist op een haar na een onoplettende politieagent, die met grote ogen en kloppende slapen het hazenpad neemt.
Gelukkig sta ik buiten Aries schietbereik. In mijn linkerooghoek zie ik uit de bosjes een oude vent kruipen. Hij wuift even naar mij. Hij wordt gevolgd door een jongere vent, waarvan je zo op het eerste gezicht niet zou zeggen dat hij homoseksueel is. Rara, wie zijn het? Dag Guggenheimer en dag Harry. Ze rennen weg, maar niemand ziet het. Ik voel me even verloren, maar herstel meteen. Voor mij zit de onervaren agent ineengekrompen naar het spervuur te staren. Hij houdt krampachtig zijn pistool vast, maar weet door de spanning niet te richten.
Ik schreeuw naar hem, want Arie schiet oorverdovend: “Ik heb zin in een sigaret. Ik ga even een sigaret halen uit mijn auto om de hoek. Ik ben dus weg. Tot zo!”
En op die manier ben ik vrij gewaard van een naderend kruisverhoor. Waarschijnlijk heeft hij mij niet eens gehoord, maar het is goed voor mijn etterende geweten, die soms onverwachts en ongevraagd opspeelt. Ik zet het op een lopen en om de hoek hijg ik even uit.
Vervloek die Guggenheimer! Daar gaat mijn begeerde geld en heden zit ik zwaar in de problemen. Mijn hoop dat dit een mooie, gelukzalige dag zou worden is terstond verdwenen. Ik moet nu zien te overleven in plaats van te leven. Lichtelijk panisch en gedreven door adrenaline ren ik naar de bushalte. Uiteraard en oh zo vanzelfsprekend staat daar een bus trouw op mij te wachten. Ik stap in en zie dat de bus leeg is.
“De bestemming?”, vraagt de vetlijvige chauffeur met een brede glimlach.
Ik omhels hem van geluk. Mijn Messias. Hij is de man, die me uit de vurige hel gaat rijden met zijn engelenvoertuig. Wees geliefd, oh heilige chauffeur! Breng mij thuis. Schenk mij veiligheid.
Ik voel hem naar mijn volle borsten grijpen en over mijn welgevormde kont wrijven met zijn gluiperige dievenvingertjes. Ik duw hem van me af.
“Het was alleen een knuffel, ok?”, roep ik pissig en sla hem met de vlakke hand in het gezicht. Hij wrijft over zijn wang, maar zwijgt.
Toch kan ik even niet zonder hem. Ik zou de bus uit kunnen stappen en proberen te liften, maar ik heb een sterk vermoeden dat meneertje agent zo langzamerhand erachter is gekomen dat ik niet meer ben waar ik hoor te zijn, dus het is beter dat ik verdwijn in de drukte van de stad. Plankgas!
Ik vraag aan hem of hij me thuis wil brengen en geef hem de route. Hij knikt beleefd en onderdanig en start de motor.
Wat haat ik hem, wat veracht ik hem en wat heb ik hem op dit moment nodig. Hij weet niet eens hoe ik heet en denkt gelijk mijn edele delen vrij te kunnen betasten. Ik ben zijn persoonlijke stoephoertje niet! Neuken doet hij maar thuis met moeder de vrouw. Het valt me overigens nu pas op dat hij een ring draagt. Straks, als hij zijn belangrijkste taak ooit heeft uitgevoerd, zal hij een vuist tegen zijn kanis krijgen. Pijn zal verdelgd worden met pijn. Een man, die niet trouw kan zijn, heeft niks engelachtigs over zich, maar is, zoals allen, overstelpt met testosteron, waar hij geen raad mee weet. Ik weet dat je een piemel in je knellende broek hebt, zorg ervoor dat hij daar blijft.

Leave a Reply