Lekker Ding - Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 5
Daar sta ik dan allenig en allengs mistroostig de ophanging van het raam te bewonderen. Ik moet naar buiten. Ik moet de wereld bewonderen en mij niet langer bezighouden met huishoudelijke zaken. Zo word ik nog een Remi. Alleen op de wereld en de loop van een nimmer haperende negenmillimeter tegen mijn slaap gedrukt. Nu heb ik een gezonde levensinstelling, dus zo hard loopt dat niet, maar als ik niet snel naar buitenga zullen de muren op mij afkomen. Ik roep naar Roos dat ik weer vertrek, negeer het rek met kleding, dat geparkeerd in het halletje staat en sprint de deur uit. De middag breekt aan en ik heb nog steeds niks op de maag liggen verzuren, dus het wordt tijd voor een restaurant. Geld is geen probleem, dus ik bedenk ijlings het beste restaurant in de buurt, wat tevens loopbaar is. Wilde liftplannen, die mij op bizarre plaatsen moeten brengen, heb ik nu geen tijd voor, maar voornamelijk geen zin in. Het is verdomme slechts middag! Zulk soort losbandigheid kent zijn plaats en die plaats is in de avond. Ik zie er ’s nachts ook beter uit. Het witte van mijn tanden straalt in het maanlicht, terwijl het verbleekt bij de felle zonnestralen van de dag. Tel uit je winst. Ik loop.
De route naar het restaurant is vrij ingewikkeld, voornamelijk ook omdat ik loop. Als ik loop zoek ik doorgaans kleine weggetjes op om een gevoel van omhelzende gezelligheid tot me te laten komen. Alleen aandachtsmekende gekken zoeken de grote lawaaiige weg op om daar rond te banjeren als een ware exhibitionist.
Terwijl ik mijn voorgenomen plan in uitvoer wil gaan brengen, zie ik dat het huis, waar eens een mij bekende buurman in heeft geleefd, is verkocht. De man had de trein gepakt, omdat hij stapelgek werd van een onbeantwoorde liefde, die hij voor een nog steeds onbekende vrouw heeft. Naar zijn eigen zeggen wilde hij liever in het klooster celibatair leven dan elke dag geconfronteerd worden met romantische waanbeelden. Ik ben daar blij om. Een potentieel psychotische rukker als buurman walg ik van.
De koper is mij een vreemde en de verhuiswagen staat warempel al voor de deur. In de vrachtwagen staan allemaal versleten spullen en mastodontisch meubilair, die getuigen van een slechte smaak. Ik vraag aan een naar mij kwijlende verhuizer wie er komt wonen. Hij zegt: “Ik weet het niet. Is dat boeiend?”
Het stereotype verhuizer heeft wederom de tendens gezet. Als we allemaal zo’n onverschillige houding hadden zou de wereld een stuk beter af zijn geweest. We zouden nooit meer hoeven denken aan Afrika (Vergeet al die rondbuikige kindertjes! Vergeet de ontwikkelingssamenwerking! Steek het geld in eigen zak!) en de wereld zou nog platter dan een dubbeltje zijn wegens de onverschilligheid ten opzichte van wetenschap. Ik zou rondlopen in de laatste berenvellenmode (synthetische kleding? Bestaat dat dan?) en de viriliteit zou nog pathetischer zijn dan ooit. Ziekte zal in het wilde weg maaien en mannen als Guggenheimer hebben een levensvatbaarheid van nul komma nada procent. Geen incontinentie, maar rustig wegrottende lichamen. De man, in zijn schoonste vorm.
“Ík vraag het. Kan het boeiender?”, antwoord ik pinnig.
“Tja”, respondeert hij vertwijfeld.
Ik continueer mijn restaurantplan en negeer het pseudo-romantische gefluit, wat achter mijn rug als krekels in een steeds meer donker wordend veld irritante proporties aanneemt. Ik loop wederom en zal me ditmaal niet laten storen door kwijlende plebejers.
De route is kort en eenzaam. Ik vrees wederom het archetype Remi en snel het restaurant binnen. De ober, receptionist of hoe ze die gasten ook noemen bij de deur vraagt aan mij of ik een plaats heb gereserveerd.
“Nee, ik heb gehoord dat de gastronomische kwaliteiten van de kok hier het summum van klasse zijn, dus ik wilde wel eens een kijkje nemen. En voila, nu sta ik hier, tegengehouden door een onderbetaalde knaap met een air van hier tot Oezbekistan”, zeg ik furieus.
De ober pruilt zijn lippen en kijkt in het gastenboek. Niemand weet wat die krabbeltjes stenografie precies te betekenen hebben, maar het is een leuke bezigheid om te fantaseren over wat er zou kunnen staan. Het dunkt mij dat deze receptionist niets anders doet dan de gehele dag seksuele fantasieën koppelen aan zijn onleesbare tekentjes.
“U heeft geluk. U mag naar binnen”, concludeert hij zakelijk.
Mijn maag rommelt en draait als een reuzenrad, dus ik storm naar binnen. De ober schreeuwt me na dat hij wel een toepasselijke naam voor me zal verzinnen voor het gastenboek. De mislukte pinguïn heeft humor; daar hou ik wel van.
Het restaurant is zo goed als leeg. Er zitten enkele ex-koorballen te blazen over de politiek, terwijl ze een oversized sigaar roken en een naar schatting jonge rijke weduwe staart zuchtend in haar halfvolle en tevens halflege sherryglas. Zonder twijfel was zij op zijn geld uit, maar pakte het verrassend negatief uit.
Ik neem een tafeltje waar het onmogelijk is gezelschap aan te ontvangen. Het tafeltje is in de hoek geplaatst en wordt aan de lichte stoflaag te zien nooit gebruikt. Ik zet de stoel in het verlengde van de diagonaal van de tafel, zodat zowel links als rechts geen ex-koorbal mijn maaltijd onsmakelijk kan maken. Mijn stoelgang en ik zijn kieskeurig. Mijn zaliger vader riep vroeger altijd: je bent wat je niet poept. De man was een genie in spé. Jammer genoeg heeft een razende stoptrein paradoxaal genoeg vroegtijdig een einde aan zijn leven gemaakt. In zijn afscheidsbrief stond een opsomming van alles wat hij in de loop van de jaren had gegeten en gedronken. Er kwam veelvuldig het woord ‘bier’ in terug. De arme man was overmeesterd door de alcohol.
Een jonge kelner, die duidelijk nog geen greep op zijn voor mij nu prioritaire baan had gekregen, komt naast mij staan om mijn bestelling op te nemen. Gelukkig ben ik al grondig ingewijd in deze toko, dus ik kies, zonder enige interesse voor de menukaart, de zeer exquise lunch van de dag. Deze schranszaak heeft zowel een ontbijt als lunch, brunch en diner van de dag kan ik mij herinneren. Als het niet van-de-dag is heb ik de kans dat het al enkele dagen de okselgeur van de kok heeft geabsorbeerd en alleen de gedachte al, en mijn lichte smetvrees daarbij gecombineerd, maakt mij onpasselijk. Nu heb ik geen verstand van eten. Ik eet, omdat het moet. Dus eerlijk gezegd maakt het mij plat geformuleerd geen kont uit wat ik voorgeschoteld krijg, maar ik erken mijn klasse en eet bourgondisch. De jeugdige kelner vertrekt wijselijk, voordat ik hem wegsnauw.
Ik verveel me, dus om de tijd te doden luister ik naar het gesprek van de ex-koorballen, die met elkaar communiceren als twee brullende beren.
Ik luister: “Er is duidelijk een nieuwe stroming onder het plebs te vinden. Het socialisme neemt in stijgende lijn de overhand. Arbeiders en uitkeringstrekkers schreeuwen om steeds meer geld, terwijl ze nauwelijks weten wat ze willen. Natuurlijk kan het kapitalisme een klapje vangen, maar de managers zitten met hun handen in het haar - de spreker voegt de daad bij zijn woorden en steekt zijn handen in zijn smerige haar - met al die weigeraars. Allemaal denken ze dat de verzorgingsstaat een bodemloze put van welvaart is, waar iedereen maar kan graaien alsof het een grabbelton op de kermis is. Ik denk dat we fundamentele punten moeten veranderen aan het regeringsbeleid door de allochtonenstromen te stoppen en eventuele beslissingen op het gebied van arbeiderslonen en CAO-regelingen nemen. Kijk naar Amerika; land van de rijkdom. Geen hond die er honger lijdt, maar een verzorgingsstaat? Nee, meneertje, dat kennen wij niet. Het zal een wereld van verschil zijn als we rechts-extremisten enigszins de macht gunnen om de verkwisting van de Nederlandse staatspot terug te dringen. Het doel heiligt de middelen, wat dat betreft.”
De andere bal luistert aandachtig en verzit om de estafettemonoloog in eigen handen te nemen. De gesprokene leunt naar achter en kijkt voldaan uit zijn ogen. De bal, om het even welke, begint:
“Dat ben ik met je eens op de volgende punten. Natuurlijk is de verzorgingsstaat de demon van deze tijd, maar het niet accepteren van goedkope arbeiders is niet alleen rigoureus, maar ook schadelijk voor onze eigen portemonnee. Ze werken voor een hongerloontje en zijn gemakkelijk met zwart verdiend geld af te schepen, terwijl de Nederlandse boerenlul gelijk klaagt over zijn kinderen die zo nodig Nikes op school willen dragen. Eer de allochtoon volwaardig Nederlands heeft geleerd, zijn we drie generaties verder, maar bedenk eens wat we ervoor terugkrijgen. Als dank voor onze gemoedelijke gastvrijheid zullen ze harder en productiever werken dan de gemiddelde proletariër, daarbij komend dat hun kinderen net zo hard voor hun eigen centen werken. Die kinderen hebben geen Nikes nodig; die kinderen verdienen ze zelf wel. Door de neutraliteit, die Nederland steeds heeft aangenomen in alle bedenkbare oorlogen, is het Nederlandse volk lui en verwend geworden. Fris bloed jaagt de stuipen aan en als het grootste gedeelte van de arbeidersgemeenschap thuis op de bank zijn tijd verkwist gaat er bij menigeen toch een belletje rinkelen. Wil je een voor honderd procent productieve staat? Dan is niet rechts-extremisme verantwoord, maar volledige acceptatie van asielzoekers.”
Ik dacht dat hij het puntsgewijs ging uitleggen. Misschien moet hij een paar cursusjes retoriek doorwandelen, voordat hij zijn bek opentrekt tegenover zijn compagnon.
Ik onderga de laatste tijd golven van irritatie en met de laatste tijd moet men denken aan de laatste paar dagen. Volgens simpel uit te voeren berekeningen, daarbij genomen dat ik zeer stipt ben, valt pragmatisch te bewijzen dat ik op dit moment zo’n beetje rond mijn seksuele hoogtepunt schommel, dus waarom toch die menstruatieschijn en brisante chagrijnigheid? Ik ben gestelder dan ooit, maar iets rot weg binnenin mij. Ik smijt uit pure frustratie het tafelbrood, dat er geenszins smakelijk uitzag, de ruimte in, zonder mij te bekommeren om de hachelijke effecten ervan. Het geluk treft mij weer dat een homp hard geworden pain du jour één van mijn grote vettige vrienden raakt, die geconcentreerd zijn collega aan het beluisteren was. De man was er niet over te spreken, hoewel brood nog nooit iemand kwaad heeft gedaan. Sterker nog, mijn vader - moge God zijn ziel hebben - zei vroeger, als de dageraad reeds enkele malen had geklonken en ik braafjes in mijn peignoir met mijn ochtendhumeur aan de zondagse ontbijttafel zat: “Een mens zonder brood is een leven zonder dood.” Ik knikte dan gewillig ja, want een boterham met vlokken ging er rond die tijd wel in, maar nooit heb ik hem begrepen. Soms, als de eenzaamheid teveel wordt, bid ik tot God. Dan vraag ik hem uitleg voor al mijn vaders uitspattingen, maar nooit krijg ik antwoord. Logisch, want God bestaat niet. Daar valt verder niet over te twisten.
Ik kijk vanuit mijn verste ooghoek naar de twee koorballen. Ik zie de man met het brood op zijn schoot verbouwereerd naar mij en afwisselend naar het brood te kijken. Van binnen gniffel ik om het gebeuren. De man begint te brullen als een oermens op worteltjessapdieet. De ober komt hem toegesneld: “Is alles naar wens?”
De man tiert en raaskalt alsof zijn leven ervan afhangt, maar kort samengevat zegt hij: “Dat gedrocht daar begint plotseling met brood te gooien!”
De ober kijkt naar de man z’n schoot en ziet het onsmakelijke brok pain liggen. Ondertussen knikt hij bedenkelijk naar de man, die maar niet zijn verhaal weet te beëindigen. Eindelijk vraagt de ober aan mij als een overbezorgde moeder: “Is dit zo, mevrouw?”
Ik draai mij om op mijn stoel en laat mijn armen over de leuning hangen. Het aangezicht van mijn gelaat doet beide bekken van de Leidse sociëteitbezoekers simultaan openvallen.
Ik zeg vermoeid: “Nee.”
De ober: “Mevrouw zegt dat ze het niet gedaan heeft.”
“Ik hoor godverdomme zelf ook wel dat mevrouw het niet gedaan heeft. Ik zeg je dat het niet waar is!”, brult de broodman.
“Ik verzoek u vriendelijk om u een beetje in te houden. Ik ben gelovig”, spreekt de ober fel.
De ober is een orthodox-christen of misschien wel een belijdend katholiek. Het is niet aan zijn gezicht af te lezen dat hij enige God in zijn leven accepteert, maar de mogelijkheid bestaat dat het een overtuigd islamiet is. Ondanks dat ik niet geloof en het liefst zelfs met dominees de draak steek, als ze in groteske abstracte termen, zoals liefde en zaligheid, spreken vind ik toch dat een woord als godverdomme gedoogd moet worden. Zoals menigeen is opgevallen, dus ik ben geenszins de eerste, betekent godverdomme een vloek die je over jezelf uitspreekt. Laat het dan zo zijn! Laat hem zijn hele ziel en zaligheid in zijn reet steken en het leven van Job leiden! ‘God is een zakkenwasser’ is daarentegen een hele andere kwestie. Uwe name zijt ontheiligd of zoiets. Net alsof Hij, die hemel en aarde schiep, vrijwillig de keuze heeft gemaakt zichzelf een eenlettergrepige benaming toe te wijzen. Ik voel me geneigd er iets van te zeggen, maar gezien de situatie sluit ik wijselijk de lippen en aanschouw het spel.
Er heeft inmiddels een hele schare van obers zich rond de tafel van de Leidenaars verzameld en het gesprek is overgegaan tot een scheldpartij, waarin meer dan eens de naam van God wordt onteerd. Uiteindelijk verlaten de ballen met haast het etablissement en zijn de weduwe en ik de enige overgeblevenen. De jonge ober komt zenuwachtig naar mij toegelopen en biedt zowaar zijn excuses aan mij aan.
“Ik hoop dat verder alles naar wens is”, komt hij nauwelijks uit zijn woorden.
“Dat mag ik ook hopen, hypocriete cliché-opdreuner. Ik blief nu mijn eten te hebben”, antwoord ik chagrijnig.
“Dat komt eraan. Nog eventjes wachten, mevrouw” en hij buigt nederig met de handen ineengevouwen. Ik knik en geef daarmee aan dat het nu verstandig is om weg te lopen. De ober gehoorzaamt.
De weduwe zucht luid en staart nog eenmaal in het glas om het vervolgens in één teug achterover te slaan. Ik beaam haar actie, maar heb geen glas voor me om mijn slokdarm in te gieten, dus ik roep hardop: “Amen!”
De weduwe schrikt op en onze ogen zien elkaar. Ik zie angst, zij ziet onverschilligheid. Onze blikwisseling wordt abrupt doorbroken door het binnenkomen van de kelner.
“Uw gewenste voedsel, madame”
Ik kijk naar het bord voor mij, dat een onduidelijke bruine troep bevat.
“Wat is dit?”, vraag ik pinnig.
“Uh uh”, stottert het jonge correct geklede broekje.
“Laat maar, ik eet het wel op”, zeg ik moedeloos.
Ik verorber met lange tanden de maaltijd en denk aan hetgeen mijn vader vroeger voor mijn neus zette. Zijn leukste vinding was bierpannenkoeken. Tijdens het bakken gooide hij een 33cl blik bier bij de pannenkoek, wat ervoor zorgde dat het bakken alleen maar langer duurde. Het bier bleef bewegingloos op de pannenkoek liggen ten einde te verdampen en te stijgen naar de afzuigkap. Dit maakte hem zo mistroostig dat hij eenmaal een melige pannenkoek met een laag warm bier voor mijn neus heeft gezet, wat ik met langere tanden dan nu heb opgegeten. De dag daarna staken mijn darmen zo erg in mijn buik, dat ik niet zeker wist of ik liever diarree wilde of het hele zooitje eruit kotsen met alle gevolgen van dien. Uiteraard voelde mijn vader niets van zijn kooksel en begon de dag goed met een glas whisky.
Het blijkt dat de maaltijd van de dag toch nog smakelijker is dan ik eerst heb gedacht en met vernieuwde trek beëindig ik de maaltijd. Keurig en volledig volgens de etiquette laat ik mijn servet eventjes de mondhoeken raken om enige onrechtmatigheden te verwijderen. De weduwe boert luid. Ik voel de behoefte om er iets van te zeggen:
“Pardon?”
De weduwe wil met rust gelaten worden en zwaait met haar arm. Ik sta op en stap brutaal naar haar tafel.
“Heeft u geen manieren, mejuffrouw?”, vraag ik snibbig.
“Ach, wat zijn manieren? Zijn het manieren dat een persoon onrechtvaardig een ander uit een restaurant kan verwijderen? Zijn het manieren dat een man een vrouw verlaat voor een ander? Denk daar maar eens over na”, filosofeert zij.
Ze is geen weduwe, maar wel verlaten door haar man. Een amusante anekdote na een stevige lunch is belangrijk voor de stoelgang. Ik besluit om aan de tafel aan te sluiten.
“Nee nee, niet aan deze tafel zitten”, roept zij met een schuddend en schokkend hoofd.
Ze is al ver heen. Ik verwacht nauwelijks meer weerstand.
“Vertel je verhaal maar”, stel ik voor.
Bij deze woorden draaien haar ogen tot scheelheid en valt ze voorover op haar glas. De tafel rammelt van het bestek door de klap. Ze tilt haar hoofd weer op - godzijdank is ze niet bewusteloos - en concludeert:
“Sorry, ik wilde even slapen.”
“Geen probleem”, antwoord ik nuchter.
Ik pak een servet en probeer de kleine stroompjes bloed, die gemaakt zijn door de scherven, te deppen op haar voorhoofd. Ik doe deze moeite niet voor niets. Ik wil een verhaal!
“Vertel maar”, dring ik aan.
Ze kijkt naar de scherven en brult: “Meer alcohol voor deze tafel!”
Ik sus haar door met het servet haar keelholte te deppen. Ze valt terug in een onduidelijk gemurmel. Eindelijk hoor ik niks meer en trek de lap uit haar mond.
“Goed, waar was ik?”, vraagt ze ongestoord.
“Je ging me juist vertellen waarom je man je verlaten heeft”, recapituleer ik vals.
“Oh ja”, roept ze lumineus, “Ik was dus al enige jaren met een schat van een vent getrouwd. Hij was wel populair en iets te zelfverzekerd, maar verder altijd charmant en aardig. Geen enkele trubbels, whatsoever. Natuurlijk kreeg hij regelmatig, soms zelfs ’s nachts, telefoontjes van dames met een zwoel stemgeluid, maar ik, naïef schaapje dat ik was, had niks door, totdat hij op een avond niet thuiskwam. Ik begon mij, zoals elke zelfrespecterende echtgenote betaamt, na twaalven toch ongerust te maken en toen ik hem op zijn mobiel belde kreeg ik een vreemde vrouw aan de lijn. Ze blies hard in de telefoon terwijl ik haar vroeg of mijn man daar ergens was. Ze vertelde mij met lange halen dat hij het op het ogenblik bijzonder druk had en later wel terug zou bellen.”
Nu komt de jonge dienstverlener wederom binnengelopen en ziet de scherven en het bloedend hoofd van de gebroken vrouw. Met mijn linkerhand breng ik hem echter tot een halt en met mijn rechterhand geef ik aan dat ze haar verhaal moet vervolgen.
De vrouw zucht en vertelt verder: “Later werd dus nooit en de volgende dag, terwijl ik de hele nacht aan de telefoon zat gekluisterd, belde hij mij op. Hij bood zijn excuses aan en had zelfs het lef om met een stom smoesje het goed te praten. Ik heb de hoorn op de haak gesmeten, ben het huis uitgelopen en heb mij verstopt in de struiken voor onze villa. Later die dag kwam hij aangereden met een vrouwgestalte naast zich in de auto. Ik zag ze innig zoenen. Ik heb mij aanschouwbaar gemaakt en ben toen huilend weggerend. Hij heeft nooit de moeite genomen om mij te zoeken.”
De vrouw valt wederom voorover in de scherven, laat haar tong uit haar mond vallen en vervalt in een luid ronken. Gewoontjes vertel ik de ober de smurrie op te ruimen, geef hem enkele flappen van honderd gulden en stap het restaurant uit.
Ik snuif de frisse buitenlucht op en bedenk dat het nog wel eens een mooie dag zou kunnen worden.