Lekker Ding - Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 4

Harry is een nicht. Dat heeft hij mij in de auto verteld. Hij zei dat hij me er aantrekkelijk uit vond zien en dat hij er bijna biseksueel van was geworden, maar hij houdt zich sterk. Voet bij stuk, zogezegd. Zeker nadat ik eerst met mijn tong in zijn oorschelp heb geroerd, alvorens mijn tanden in zijn oorlel te zetten. Ik heb mezelf altijd als Mike Tyson onder de verliefden gezien en woorden vragen om daden. Hij vloekte en schreeuwde het uit, maar hij is inmiddels weer een beetje bijgekomen. De weg naar het ziekenhuis is een korte, dus ik maak me geen zorgen. Ik sta voor mijn eigen voordeur en bekijk mijn eigen naambordje. Wat heb ik toch een mooie naam. Vooral die sierlijke letters, verguld, in een zilveren plaatje gegraveerd, the works. Ik bel bij mezelf aan. Luisterend naar de geluiden die vanachter de deur komen hoor ik gestommel en gekletter. Nou nou, een drukke boel bij mij thuis. Ik kan me niet herinneren dat ik een feestje had georganiseerd.
Verward doet Roos, mijn persoonlijke huismijt, open. Heur haar zit door de war en ze moet haar kledij nog rangschikken. Ik heb nooit geweten dat het schoonmaken van een immer keurig huis zo’n intensieve bezigheid is. Ik vermoed dat achter haar lichamelijke rommeligheid meer zit dan een simpele reinigingsklus, dus ik vraag het haar:
“Roos, wat is er? Waarom zitten je haren en je kleren zo door de war?”
“Ik ben bezig”, stamelt zij.
Ja, nee, dat valt te begrijpen. Het is fijn om te weten dat Roos zich niet verveelt tijdens haar werk, maar dit is geen afdoend antwoord. Ik wil meer weten, verdomme!
“Wáár ben je mee bezig?”, herfraseer ik de vraag.
“Werk, wat anders?”, vraagt ze ongetwijfeld retorisch.
Hier kom ik geen wijs uit. Het wordt tijd om zelf op onderzoek uit te gaan, dus ik zet een stap naar voren. Roos wijkt twijfelend uit en ik heb vrij baan. De plek des onheils moet zich ergens in deze woonkamers bevinden, dus ik stap maar de huiskamer binnen. Er zit een man in uniform op de bank. Het is iemand van de politie. Ook bij hem is de klederdracht niet op orde, dus mijn vermoedens worden langzaam maar zeker bevestigd. Ik ben een vrouw en voel mij niet aangetrokken tot enig geslacht, maar voornamelijk niet tot andere vrouwen. Doch weet ik wat wel en niet seksueel prikkelend is en Roos ziet er naar mijn visie niet slecht uit. Het zou me niks verbazen als ze, tot het moment dat ik aanbelde, in een hevige romance zaten. Roos heeft haar werk uitgebreid tot intiemere bezigheden, waar ik haar uiteraard niet voor zal betalen. Ik bedenk dat dit wel eens haar ontslag kan betekenen, maar ik wil eerst weten wat deze agent mij te zeggen heeft.
“Goedendag”, zeg ik met alle vriendelijkheid, die ik in deze situatie kan opbrengen.
“Een goede dag teruggewenst, mevrouw”, zegt de agent.
Wat een olijkerd. Jongens jongens, wat voor een mensen nemen ze tegenwoordig aan bij het politiebureau? Hij denkt zeker dat de alledaagse sociaalcommunicatieve etiquette in de wind kan geslagen worden om zijn eigen taalhumor door te laten schemeren. Een simpele ‘goedendag’ valt toch wel terug te verwachten? Waarom neemt hij de moeite om zo intellectueel over te komen? De arrogante zak. Ik zal het ditmaal door de vingers zien, omdat hij waarschijnlijk een ambtenaar in functie is en die schijnen nogal pissig te worden bij beledigingen.
Ik sta rond te kijken in mijn eigen huiskamer om te zien of hun geheime liefde enige schade heeft aangedaan aan mijn spullen, maar niks valt mij op. De politieman wordt ongeduldig en doorbreekt de stilte: “Mevrouw, ik ben hier om u aan te houden. U bent onze hoofdverdachte. Volgens ons heeft u een steen door een ruit van een schoenenzaak gegooid om een nieuw paar schoenen te bemachtigen.”
“En het bewijs?”, vraag ik.
Ik begin een beetje te beven. Wat flikt hij me nou? Die koelbloedigheid waarmee hij zijn werk doet is ongekend. Laat me met rust! Ik doe niks fout, naar mijn weten.
Hij glimlacht demonisch en zegt: “U staat met uw mooie gezichtje volop de tape die we hebben gekregen. Van het werpen van de steen tot het verlaten van het pand.”
Kut! Dat was niet de bedoeling. Hebben zelfs die schoeiselsloebers tegenwoordig een camera in huis? Zelfs ik ben benieuwd hoe ik hieruit ga komen. Ah wacht, ik heb nog één troef in handen. If you play with fire, you might get burned, mister copper.
“U heeft wel lef hè?”
Hij knikt beamend.
“U komt hier binnenwalsen in uw chique kostuum, beschuldigt mij vals en tot overmaat van grofheid neukt u ook nog eens mijn huishoudster, sorry, interieurverzorgster”, spuw ik.
Roos, die achter mij aangekomen was, neemt schoorvoetend een stap naar achteren en de agent kijkt mij verbouwereerd aan. Ik geef Roos een vuile blik en ga verder: “Ik zou jou eigenlijk moeten ontslaan, ware het niet dat het hier gaat om een brute verkrachting. Misbruik maken van de positie. Is dat waar de overheid voor staat?”
Roos, waarvan ik weet dat deze baan haar ziel en zaligheid is, denkt zichtbaar na. Ze heeft nog wat extra overtuiging nodig; dat is duidelijk.
“Wat voor een wildemannen werken er wel niet bij de politie? Ze denken zeker dat iedere vrouw zich van haar sereniteit laat ontnemen voor hun seksuele tekorten. Diefstal, OK, maar verkrachting is van een hele andere orde. En dan nog wel te bedenken dat ik haar bijna wilde ontslaan, omdat ze een missertje heeft begaan. De gedachte alleen al maakt me misselijk in mijn gehele lichaam”, tier ik, terwijl ik de ene insinuerende blik na de andere op Roos werp.
Ze krimpt ineen. Het is nu nog een kwestie van enkele momenten, voordat ze haar verlegen muiltje opentrekt. Ik heb geduld.
“Ja, verkrachting is van een hele andere orde!”, stottert ze.
Yes! Ze is doorgeslagen. Ik draai me om naar de politieagent. Het is nu zijn beurt om te krimpen en te kruipen.
“Ho, wat gebeurt hier? Ik heb even geflikflooid met haar na haar goedkeuring. Helemaal niks van verkrachting, maar een beetje vozen. Ja, zo zou ik het noemen. Vozen”, zegt hij duidelijk uit zijn humeur.
“Het is haar woord tegen het uwe in de rechtszaal en ik ben bang dat u het aflegt, meneer. Ik vraag me af hoe u hier zich uit weet te redden. Tenzij~E”, zeg ik bedenkelijk.
Ik maak gebruik van de gevolgde stilte. Natuurlijk wil hij meer opheldering en dat kan hij krijgen, maar enige coöperatie is wel vereist.
“Tenzij wat?”, vraagt hij wanhopig.
Gelukkig is hij toch doorzichtig genoeg. Ik stuit wederom op de oppervlakkigheid van een manpersoon, maar dit keer is het voor een goede zaak. Mijn ‘Stay out of jail’-kaart, zogezegd.
“Tenzij u mijn misdaad door de vingers ziet. We, Roos en ik, zullen dan zwijgen in alle talen en u zal nooit meer iets van mij horen. Reken daar maar op”, antwoord ik.
Yeah right. Net alsof ik nu mijn leven zal beteren. Zouden ze nog een plek vrij hebben bij het Leger des Heils? Of zal ik gelijk doorstomen naar het klooster?
“Uhm ja, dat is een mogelijkheid”, twijfelt hij.
Hij twijfelt nog. Ik bekijk hem even goed, want de tijd dringt minder dan ooit. Het is vast een strebertje; zo’n type die alles doet voor een goede werkhouding. Hij droomt van medailles en leeft in termen van carrière en promotie. Ook daar valt misbruik van te maken.
“Denkt u eens in wat voor een consequenties het met zich mee zal brengen als u beschuldigd wordt van verkrachting. U zal nooit meer hogerop komen en in het ergste geval lopen uw vrouw, vriendin, whatever en uw gebroed bij u weg. Niet een fijn toekomstperspectief zou ik zo zeggen”, zet ik even voor hem op een rijtje.
“OK, dat moet ik dan maar doen” en hij zucht.
Hij zet zijn handen op zijn knieën en staat op. Klaar voor de guillotine van wroeging. Kort staart hij benepen naar mij. Ik zwaai hem grijnzend uit. Ik denk dat de ergste manier van kwetsen psychisch kwetsen is. Zijn schouders hangen en zijn rug is gekromd als hij zijn felgekleurde wagen instapt.
“Verkrachting is een gevaarlijk wapen. Elke man heeft het gevoel dat hij ertoe in staat is, maar zal het laten vanwege de 24 uur geopende cel. Als vrouw zijnde is het abominabel om mee te maken, maar is er van geen verkrachting sprake en toont de man zijn zwakheid, dan mag het gerust voor eigen doeleinden gebruikt worden. Het bewijs is zojuist geleverd; geen man die ertegenin durft te gaan. Mannen zijn zwakke wezens. De grote mislukking Gods, onthoud dat goed, Roos. Knoop het in je oren, schrijf het op je voorhoofd, mannen zijn er om jou te dienen”, zeg ik.
“Ik vond hem wel aardig, eigenlijk”, bekent Roos.
“Ja, natuurlijk vond je hem aardig. Ik zou je de deur uit schoppen, als je met hem voor zijn rang het bed in was gedoken. Het gaat erom dat het domme wezens zijn. Ze zijn de regelrechte overblijfselen van de Neanderthaler. Al dat haar overal en onbeschofte gewoontes zijn het onomstotelijke bewijs. Alleen daarom al mag je ze gebruiken, alleen daarom al zijn het je slaven. Ik ben geen feminist, sterker nog: ik haat feministen, maar de kern van waarheid is daar, recht voor je neus. Het moet alleen bij de vrouw in het algemeen doordringen en dan zal ons niks meer kunnen stuiten.”
“Ah ja, ik ga maar weer eens aan het werk”, zegt ze onbegrijpend.
Die stomme muts snapt er niks van. Dat inzicht kan ze ook wel naar fluiten. Haar moeder was een manwijf en haar vader was een travestiet; dat is de enige mogelijke verklaring. Ik leef met haar mee, maar ze mag voortaan haar eigen shit opruimen. Niettemin was ze echt nuttig in deze hachelijke situatie.
“Dank je, Roos. Voor alles”, zeg ik serieus.
“Het is al goed”, antwoordt ze als een automaat.
Ik zie de politieauto weer voor me. Eigenlijk is het raar. Ze hebben al die kleuren en lijnen, die lukraak op de auto zijn gespoten. Wat zou Roos ervan vinden? Ik verveel me rot, moet ik bekennen.
“Roos, vind jij het niet raar dat die politiewagens zo felgekleurd zijn? Ze neigen naar de zuiverste fluor en geven licht in het donker. Moet ik hiervoor bang zijn? Moet ik mijn acties staken als ik een dergelijke wagen in het vizier krijg? Gaan alle criminelen hiervoor autonoom in het gareel staan als ze lucht krijgen van de lange arm der justitie? Is het niet veel handiger om een simpele personenwagen in te zetten om de misdadiger op heterdaad te kunnen betrappen?”, filosofeer ik.
“Het geeft mij een gevoel van zekerheid, als ik ze rond zie rijden”, antwoordt ze na lang nadenken.
“Maar het zorgt er wel voor dat vele criminelen in de schaduwen kunnen blijven rondhuppelen, waar of niet?”, contradicteer ik haar.
“Ik denk eigenlijk niet over zulk soort dingen na, sorry”, zucht ze hoofdschuddend.
Ik denk dat ik de conversatie maar beëindig. Ze staat nergens open voor en een ruimere blik op de wereld valt haar niet te geven. Het zij zo. Sommige mensen moeten nou eenmaal ignorant en dom blijven.
Ze staat op en gaat aan het werk.

Leave a Reply