Lekker Ding - Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 3

Uitgerust word ik wakker. De ochtend is al bijna afgelopen volgens mijn horloge, dat ik naast het gebitsglaasje had gelegd. Die uitgerustheid voelt verdomde goed. De gerieflijkheid van dit waterbed heeft daar zonder enige twijfel aan mee geholpen. Ik sta op, rek me uit en vraag me af of Hernia, het nachtelijke wasvrouwtje, haar werk heeft gedaan. Voorzichtig kijk ik of er glurende macho’s (denk: Arie) achter de deur staan, maar de gang is leeg. Ik grijp snel mijn kleren en trek ze aan. Eigenlijk wilde ik eerst douchen, maar de douche is vooralsnog onvindbaar. Ik besluit op zoek te gaan naar sanitaire voorzieningen. De villa is gigantisch, maar kent geen trappen. De oude pielemans heeft waarschijnlijk moeite met trappen beklimmen; iets wat je hem op die leeftijd niet kwalijk kan nemen. Ik vind mijn weg terug naar de hal, waar de oude in gesprek is met een schlemiel met een meetlint om. Gokje, een kleermaker. Deze gok wordt bevestigd door een garderobe van dameskleren die naast hem in een verrijdbaar rek hangt. De oude heeft een fetisj voor dameskleding? Altijd interessant om daar meer over te leren.
“Goedemorgen”, zeg ik kwiek.
“Goedemorgen, ik heb een cadeautje voor je!”, antwoordt de oude vol vreugde. Volgens mij maakte zijn hart daarbij een sprongetje.
“Wat is het? Wat is het?”, vraag ik serieus nieuwsgierig.
“Ik heb deze aardige kleermaker hier je maten doorgegeven en hij heeft een mooie garderobe voor je passend gemaakt. Asjeblieft” en zijn hand nodigt me uit het rek met kleding te bekijken.
Die oude zot heeft een hele garderobe voor me laten maken! Als hij zo vrijgevig is, mag hij wel vaker over me urineren. Hoewel, misschien toch liever alleen een knuffel. Dit cadeautje legitimeert hem niet een hele garderobe onder te zeiken.
Terwijl ik meerdere malen mijn neus ophalend het rek met kleding inspecteer, zucht de oude ongeduldig. Ik geef hem een blik van ‘Is er iets?’, maar ben vervolgens niet geïnteresseerd in het antwoord.
“Ik zou graag een blijk van waardering willen hebben”, zegt hij beteuterd.
“Gezeik komt bij jou uit twee gaten, hè? Nou goed dan” en ik geef hem een knuffel, daarbij erop lettend dat mijn onderlijf geen contact maakt met het zijne.
Het heeft iets te maken met ezels die zich tegen stenen stoten, maar het fijne weet ik er niet meer van. In ieder geval blijft zijn geslachtsdeel bedaard en na de omhelzing is er geen natte plek zichtbaar. Nog eventjes en ik heb hem zindelijk gemaakt.
Ik dicteer de kleermaker mijn adres (duimen dat mijn huishoer, pardon interieurverzorgster, er nu zit, anders zal de deur toch dicht blijven) en vraag de senior pisdoos waar hier zich ergens een douche bevindt. Hij wil me er persoonlijk naartoe brengen, maar ik benadruk dat een simpele routebeschrijving voldoende is. Ik wil tenslotte godverdomme nog wel vandaag kunnen douchen! Ik heb geen tijd voor zijn tergende getreuzel. De beschrijving blijkt duidelijk te zijn, want ik weet de douche te vinden zonder poespas.
De douche ziet er simpel uit. De gierigaard had blijkbaar geen zin gehad in een overdadige badkamer, want vergulden kranen zijn nergens te bekennen. Het is zelfs zo cheap dat het badkamertje alleen een douche kent met zo’n thermostaatkraan(warm, koud, heet, meer, minder) en een badkuipje waar een volwassen mensenlichaam niet in past. Goed, ik moet niet zeuren, bij mij thuis ziet het er niet beter uit en mijn enige wens is nu schoon te worden. Opvallend is dat de oude een verzameling rimpelcrèmes op zijn badrand heeft staan. Dus dát is zijn geheim van de eeuwige jeugd. Wat een oude zot ook. Zou hij ook naar beauty farms gaan om daar enige dagen omringd door schone zusters in alle rust te vertoeven? Of is hij meer het type om zijn gezicht recht te trekken met een facelift?
Ik zet de thermostaatkraan op 35 graden en de straal voluit. Just the way I like it. Ik hoef niet verder in details te treden omtrent het douchen zelf. Naakt, inzepen, douchen, wassen, drogen, schoon, aankleden, klaar. Het volgende agendapunt is het ontbijt. Ik start mijn queeste bij de douche, maar eenmaal onderweg word ik verstoord door snijdend gekrijs. Door merg en been, zogezegd. Het is iemand van mannelijk geslacht, zonder enige twijfel volwassen, die ergens in het huis krijst. Waarschijnlijk vanwege een marteling. Enigszins bezorgd, maar voornamelijk geïnteresseerd loop ik met snelle tred naar de bron van het geschreeuw. Achter een (ook) gecapitonneerde deur zit in het duistere donker een man geblinddoekt en vastgebonden aan een bureaustoel. Er is grondig werk verricht om hem hier te houden; zijn voeten zitten vast in een emmer cement. Zijn colbertje is in een hoek van het kamertje gesmeten. Het ruikt er naar zweet en urine. Ondanks de blinddoek herken ik meteen het gezicht van de man. Het is, jawel, Erik! Dat zaken slecht gaan, dat is nog te behappen, maar dit ziet er morbide desastreus uit.
“Rara, wie ben ik”, fluister ik pesterig in zijn oor.
Hij kreunt.
“Joehoe, iemand thuis?”, bulder ik in (nog steeds) zijn oor.
Hij draait zijn hoofd van me af. Dat was te verwachten. Hij kreunt nogmaals. Volgens mij gaat hij wat zeggen. Hij moet wat zeggen, anders ga ik slaan. Of een naaldhakje misschien?
“Ik herken die stem”, zegt hij schrapend.
Hij proest en rochelt. Ik ontwijk net op tijd de bloederige fluim. Een paar stappen naar achter maar, just in case.
“Ben jij niet die vrouw die mij heeft laten zitten? Die teef die op mij zou wachten in ‘Het Eeuwige Verlangen’? Ik heb godverdomme een half uur nog gezeten daar. Ik hoopte dat je naar de WC was of even ergens frisse lucht was gaan scheppen. Ik raakte bezorgd en toen ik ook nog een ambulance door de straat zag rijden, had ik het niet meer. Ik ben achter die ambulance aangeracet, maar het slachtoffer, dat ze vervoerden, bleek een flikker te zijn die zichzelf anaal had proberen te bevredigen met een naaldhak of zo”, gooit hij er met onverwachte kracht uit.
Oh, wat een lol. Waar naaldhakken allemaal niet goed voor zijn. Even mezelf helpen herinneren dat ik die barman een beterschapkaartje moet sturen. Hij heeft me net de lachstuip van de eeuw bezorgd.
“Wat valt er nou te lachen?”, vraagt hij pissig.
“Ik lach altijd als ik geëmotioneerd ben”, lach ik gierend.
Even later kom ik bij, vanwege ademnood. Ik ga bij Erik op schoot zitten; hij zal toch niks kunnen proberen. Ik knijp hem even in zijn wang en vraag: “Hoe gaat het nou met je zaak, Erik?”
Hij zwijgt. De arme man is helemaal op. Zo te zien heeft iemand hem stevig in elkaar geslagen. Zijn hele gezicht is paars en gezwollen. Ik overweeg gewelddadigheden van mijn kant, maar word in mijn gedachteperikelen onderbroken door een binnenkomend persoon. Het is Arie.
“Daar ben ik weer!”, kwinkeleert Arie.
Natuurlijk! Arie is de oude z’n beul. Opa zal niet zijn handen vuilmaken aan liquidaties en chantage. Daar heeft hij zijn mensen voor. Arie is lichamelijk geschikt daarvoor; grote spieren, weinig hersenen. The man for the job. Arie schrikt als hij ziet dat ik er ook ben, maar herstelt onmiddellijk: “Jij hoort hier helemaal niet te zijn”
“Ik vind van wel. Deze man heeft mij het leven zuur gemaakt. Elke nacht word ik schreeuwend wakker met deze man z’n gezicht voor mijn ogen. Hij jaagt me op in mijn nachtmerries en overweldigt mij in mijn dagdromen. Als dat niet genoeg is, weet ik het ook niet meer”, riposteer ik.
Kijken of hij daar van terug heeft. Misschien een beetje overdreven, maar bij zulk type proletariër kan je maar beter theatraal te werk gaan. Arie kijkt vertwijfeld en vraagt dan onzeker: “Wat heeft hij gedaan dan?”
Haha, hij trapt erin. Ik ontmoet ook de ene sukkel na de andere. Wat een fuckwits. Nu even aan iets deprimerends denken en de tranen zullen vloeien. Al die arme kindertjes in Afrika bijvoorbeeld. Of schattige zeehondjes die doodgeknuppeld worden? Ik ga voor de zeehondjes. Ik slik hoorbaar en neem even de tijd om emotioneel te worden. Ik voel mijn ogen vochtig worden en zeg met lange halen: “Hij heeft me verkracht!”
Om de dramatiek wat te verhogen heb ik tussen de ‘me’ en ‘verkracht’ een korte pauze gehouden. Dat zal genoeg moeten zijn. Inmiddels is mijn hele gezicht betraand. Verstandig van me dat ik geen mascara op heb gedaan. Dat zou nu helemaal uitgelopen zijn. Het valt stil. Arie kijkt nijdig naar Erik. Ik sta op en loop richting deur. Mijn werk is gedaan. Het is te zien dat Erik het begrijpt. Dit was de doodsklap.
“Help”, prevelt Erik.
Ik begin medelijden te krijgen. Nee, verman jezelf. Hij heeft het over zichzelf uitgeroepen. Nu even doorzetten. Niet meer achterom kijken. Arie spant zijn spieren en terwijl ik de deur uitloop hoor ik een luid gegorgel.
Arie schreeuwt als een drilsergeant: “Beetje het meisje van de baas verkrachten hè? Daar weet ik wel wat op!”
Ach ja, Erik noemde me ook teef. Ik denk dat het daar fout is gegaan, maar die losgeslagen mastodont van een Arie pak ik ook nog wel eens. Mark my words.
Op de gang kom ik de oude maffioso tegen. Ik kom nog bij van de schrik tegen de deur, die ook zeer geschikt is om tegen te leunen.
“Wat doe jij hier?”, vraagt hij.
“Er ten eerste achterkomen dat ik in een criminele organisatie ben beland en ten tweede, enkele zaken rechtzetten met Arie”, antwoord ik zakelijk.
“Zaken rechtzetten is in ons vakjargon een liquidatie”, glimlacht hij, “ik mag wel aannemen dat Arie nog leeft, toch?”
“Ik denk het wel, maar die Erik in ieder geval niet”, zeg ik.
De oude zucht. Het is aan zijn gelaat te zien dat het hem zwaar valt. Hij is ook zo begripvol. Hoera voor de maffia.
“Ja, ik heb het hem nog zo gezegd. Als je niet betaalt gebeuren er rare dingen. Die rare dingen zijn dus nu gebeurd” en hij schudt zijn hoofd.
Ik heb hier geen zin meer in. Ik ben net getuige geweest van een moord en dat ligt me toch zwaar op de maag. Niet dat ik nu niet meer wil terugkomen. Oh nee, absoluut niet. Ik wil zeker nog eens bij opa langshoppen. Ik wil nu alleen weg. Gewoon naar huis.
“Ik wil naar huis”, zeg ik vastberaden.
“Dat kan”, zegt Guggenheimer en hij roept Harry.

Leave a Reply