Lekker Ding - Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 1

Het valt niet te ontkennen, want het is waar. Ik kan het van de daken schreeuwen, het in de kranten laten publiceren; niemand zou me tegenspreken. Ik ben een lekker ding. Kijk nou eens met me mee in de spiegel. Zie het zelf, aanschouw het mirakel. Smekende borsten, een majestueuze kont, erotiserende nagels, gladde sexy benen, een recht gebit, een betoverende glimlach en lang krullend donker haar. Wat jij wil en nooit zal krijgen, heb ik al en zal ik blijven houden. We’ve got it all.
Ik ben niet de enige die ziet dat ik een lekker ding ben. Zij zien het ook; mannen. Zij begroeten mij met ogenschijnlijk knellende broeken, de aan satyriasis lijdende sukkels. De schuld ligt niet bij hen, zoals het eigenlijk zou horen, maar bij mij. Ik trek het aan. Met lange naaldhakken en een minirokje loop ik over straat, wankelend als ik mijn benen tot een halt moet roepen. Terwijl ik ze mijn meest onschuldige blik geef, proberen ze allerlei pickup-lines op mij. Als ze uitgeraasd zijn en ik stellig alles ontkennend heb beantwoord, lach ik ze uit. Ik laat mijn lach galmen vanachter mijn keel en laat ze mijn mintfrisse adem ruiken. Vervolgens stap ik weg, mijn heupen wiegend en met driftige passen, terwijl het gefluit vanachter mij opzwelt. Not this girl, baby. Soms draai ik me dan om, pak mijn beide borsten beet en schreeuw: “Kijk maar goed naar ze, jongetje, want dichterbij zal je ze niet krijgen!”
Shit, zit ik weer aan die impotente zakken te denken. Elke keer als ik voor de spiegel sta ga ik ongestuurd mijmeren over voornamelijk onbelangrijke zaken. Het wordt tijd dat ik me dat eens afleer en ga denken aan, ja, aan~Each, laat ook maar. Het wordt tijd voor werk. Even de kleertjes aan. De afwas is mijn zaak niet, net als enig ander huishoudelijk karwei. Daar heb ik een huisslavin voor. Excuses, die mensen moeten we interieurverzorgster noemen. Ik trek de deur open en vergeet expres mijn jas.
Het is koud buiten en het ruikt naar de avond. De eerste stap over de drempel doet me huiveren. Ik trek de deur achter me dicht en bepaal welke kant ik opga. Links of rechts? Zowel links, als rechts zit een grote weg. Als een mens eens wist wat voor een dilemma’s ik stond. Ik kies voor mijn politieke voorkeur, dus rechts, en bereik even later de grote weg. De oogst is weer treurig. Een hele minuut sta ik hier al langs de kant van de weg te kou kleumen en geen auto die voor me stopt. Wel hebben de auto’s die langs zijn gereden luid getoeterd. Vinden ze het soms normaal dat een schoonheid als ik aan de kant van de weg sta? Ben ik opgenomen in het straatdecor? Sta ik hier met een bordje in mijn handen ‘Honk for boobies’? Ik ben er inmiddels serieus over aan het nadenken om de TV maar een avondje te vergezellen, totdat er eindelijk, na 1 minuut en 13 seconden(ik heb een prutserige Casio met stopwatchfunctie omgedaan) een auto voor mijn neus stopt.
Het is een zwarte Mercedes-Benz. Nu vind ik dit een verschrikkelijk goedkoop merk, maar morgen met verhoging in bed moeten liggen is ook geen optie. Ik stap in de auto. De bestuurder is, volgens de huidige maatstaven, knap te noemen, maar wie laat zich leiden door die zeikerige damesbladen? In ieder geval heeft hij een symmetrisch gezicht, een gulle glimlach, een goed getraind lichaam, keurige kleding en een gezonde uitstraling. Ik snuif even, maar vang geen okselgeur op. Pluspunt voor hem. “Hoi”, zeg ik.
“Hoi, ik ben Erik. Waar wil je heen?”, zegt hij even zakelijk.
Let nu goed op, het wordt tijd dat ik mijn charmes in de strijd gooi. Hij heeft geen flauw benul van mijn capaciteiten, ondanks dat hij mij deze vanzelfsprekende lift aanbiedt. Dit vereist natuurlijk altijd wat voorbereidend werk. Ik laat mijn hoofd een beetje zakken, zodat er enkele krullen voor mijn ogen vallen. Schaapachtig kijk ik vanachter mijn haarlokken naar hem. De voorbereiding is gedaan, dan nu het moment suprème. Ik zeg op de geilste manier die ik maar kan bedenken: “Overal waar jij heen gaat, stevig stuk van me!”
Had Mercedes-Benz de mogelijkheid gegeven personen vanaf de bestuurdersplaats steil achterover te laten vallen, dan had Erik dat nu zeker gedaan. Cupido heeft gemikt en in de roos geschoten. Bull’s eye!
“Ik moet eigenlijk naar een begrafenis”, stamelt hij. Een glimlach verschijnt op zijn gezicht. Volgens mij wordt hij verlegen. “maar voor jou maak ik graag een uitzondering, hoor!”
“Ja, seks op een begraafplaats windt mij niet zo op, eerlijk gezegd”, zeg ik weer volkomen nuchter.
“We gaan naar een gezellige kroeg. Ik weet wel wat!”, roept hij buiten zinnen. Hij rukt aan de handrem en trekt snel op. We rijden.
Om de stilte te doorbreken vraag ik aan hem: “Wie is er eigenlijk gestorven?”
Hij haalt zijn neus op. Nu is hij geëmotioneerd en ik bereid me voor op een lang zeurderig verhaal. “Het is mijn moeder. Ze was een goed mens. Ik had er voor haar moeten zijn toen ze me nodig had. Ze was namelijk slecht ter been, weet je. Ik deed de boodschappen voor haar, maar…”
“Ja ja, ik begrijp het”, onderbreek ik hem, maar hij negeert het. Dit kan nog wel even duren, dus ik inspecteer mijn nagels op onvolkomenheden. Ondertussen leutert Erik maar door. Ik heb weer een zeur te pakken. Zijn moeder zal wel net zo’n type geweest zijn. ‘Gezellig’ babbelen bij de thee. Zo vader, zo zoon. Zo moeder, zo zoon. Ze zouden ouders eens moeten afschieten. Executiepeloton, laadt uw geweren. Richt. Vuur! Om kogels te sparen, ouders van gelijke hoogte achter elkaar opstellen. Ik trok me nooit wat aan van mijn ouders, maar een genocide op het oudersoort zal geen slechte zaak zijn voor Erik hier. “Ja, en toen ging het ook nog slecht met de zaak”, vang ik op.
Ho, stop, rewind and play again. Zit ik hier met een armoedzaaier opgescheept? Waarom rijdt die eikel dan nog in een Mercedes? Hier moet ik meer van weten.
“Hoe gaat het nu met de zaak, eigenlijk?”, vraag ik, mij van geen kwaad bewust.
“Ja, niet zo goed. Het is een, shit, hoe noem je dat? Zo’n cirkel. Een vicieuze cirkel”, zegt hij bedroefd.
Kut, is me dat even balen. Ik moet zo snel mogelijk van deze sloeber afkomen. Gelukkig stoppen we net op dat moment voor een kroeg, genaamd ‘Het Eeuwige Verlangen’. Ik ken de zaak. Het is een ballentent. Er loopt meer van zijn soort daar rond.
“Weet je, schat”, begin ik. Vol verwachting kijkt hij me aan. “Misschien is het beter dat jij naar je moeder gaat. Als ze werkelijk zo lief was als je zei, kan je het niet maken om weg te blijven op haar begrafenis, toch?”
“Ja, daar zit wel wat in”, antwoordt hij. “Maar jij en ik dan?”
“Ik zal op je wachten hier. Een graflegging duurt zo lang toch niet?” en ik stap uit de auto.
“OK, dan ga ik maar even. Dag schat, ik hou van je”, fluistert hij. Ik negeer zijn opmerking. Hij houdt van me. Nou nou. Hij kent me precies - ik kijk op mijn Casio - 6 minuten en hij is al stapeldol op mij. Ik ben het nog niet verleerd. Ik zie hem wegrijden en stap het café naast ‘Het Eeuwige Verlangen’ binnen. Dit café heet ‘Het Ontroostbare’. Waarschijnlijk volgestouwd met losers, maar ik doe alles om die Erik niet te hoeven zien. Blijkbaar ken ik de barman hier. Hij groet me uitbundig. “Hey, hoe gaat het?”, schreeuwt hij in mijn oor, om de muziek te overstemmen. Ik geef met gebarentaal aan dat de muziek wat zachter mag. Hij huppelt naar de muziekinstallatie, draait hem zachter en zet een Knuffelrock CD-tje op. Nu walg ik persoonlijk van Knuffelrock, maar hier een trauma oplopen vind ik beter dan een permanente gehoorbeschadiging. Ik zit inmiddels aan de bar. Hij hangt over de bar en kijkt me verwachtingsvol aan. “Het gaat zoals gewoonlijk uitstekend met mij, dank je. Ken ik jou ergens van?”, vraag ik gedesinteresseerd.
“Weet je dat niet meer?”, roept hij verbaasd uit. Hij wappert wild met zijn armen. “Dat was die ene keer dat jij mij gruwelijk op mijn plaats hebt gezet. Je had me toen wel te pakken, zeg.”
“Nee sorry, het klinkt wel als mij, maar het mij herinneren doe ik niet meer.”
“Wil je een biertje van het huis?”, vraagt hij.
“Nou, eentje dan”, giechel ik. “Ik word wel snel dronken hoor!” Mooi, dat is ook weer geregeld. De rest van de nacht gratis drinken. Natuurlijk gaat hij mij nog een keer proberen te versieren, maar ik heb een sterke lever en geen man is het gelukt om mij onder de tafel te drinken.
“Verder nog iets? Of is alles naar wens?”, vraagt hij verdienstelijk, terwijl hij mijn glas bier neerzet. Ik ben hem alweer beu.
“Je zou die mensen daar kunnen helpen” en ik laat hem mijn wijzende vinger volgen. Hij bedankt me voor mijn oplettendheid en loopt weg. Ik zucht. Deze avond is gedoemd om te falen.
Er komt een man naast me staan, die door zou kunnen gaan voor lilliputter. Zitten op een barkruk is voor hem een beklimming van de Mount Everest.
“Kom je hier vaker?”, vraagt de pygmee na zijn klimprestatie.
“Ik was het eerst van plan, maar ik zie dat ik de maximumlengte heb overschreden”, sneer ik. Ik moet het lachen inhouden. Niet alleen is hij klein van lengte, zijn ziel heeft dezelfde proporties aangenomen. Hij kijkt me verbouwereerd aan.
Ik ga door: “Mocht ik kloten hebben, dan zou jij de ideale lengte hebben om ze te kunnen kussen.”
Hij haalt naar me uit, maar ik ontwijk. Geagiteerd springt hij van zijn kruk. “En dat zonder elastiek!”, gil ik het uit.
Hij kijkt niet meer naar mij om, als hij in het feestgedruis verdwijnt. Ik lach nog even na en toon de barman mijn lege glas. Binnen 30 seconden (het begint een tic van mij te worden) staat er een schoon gevuld glas voor mijn neus. Ik geef de barman mijn befaamde glimlach. Dit was voor hem het teken om mij weer lastig te vallen.
“Heb jij zin om uit te gaan met mij?”, probeert hij voorzichtig.
“Ik ben nu uit, ik zit hier met jou in één ruimte en het bevalt me maar matig. Niks of niemand kan mij de garantie geven dat dat ooit zal veranderen. Hou eens op met die megalomanie waar je zo ernstig aan schijnt te lijden en neem een meisje van je eigen stand. Je verdoet mijn tijd en geeft mij een onprettig gevoel. Ik zeg u, tot nooit weerziens”, antwoord ik nukkig. Waarom lijden er zoveel mannen aan een minderwaardigheidscomplex en waarom merk ik daar zo weinig wat van? Het zou me niks verbazen als deze pilsboer eens in de week bij de psychiater uithuilt over zijn mislukte versierpogingen. Misschien volgt hij nu wel enkele psychiatrische adviezen op. In ieder geval wil ik niet het proefkonijn zijn.
Ik sta op van mijn barkruk, geef hem een venijnige blik en stap met driftige pas naar buiten.
Argh, waarom bedenk ik me dit nu pas? Ik sta hier weer te rillen van de kou, omdat ik Erik niet om zijn colbertje heb gebietst. Ik hoop dat ze hem in het uitvaartcentrum betrappen op een potje necrofilie met zijn moeder. Ik hoop dat hij per ongeluk samen met zijn moeder begraven wordt. Wensen, dromen. Gedane zaken hebben geen inkeer en het feit blijft dat ik hier een longontsteking aan het ontwikkelen ben. Gelukkig ken ik alle kroegen en ik weet dat er aan het eind van de straat nog één is.
Ik zet er een stevige pas in, maar hoor voetstappen achter mij. De voetstappen komen steeds dichterbij. Ik draai me in een ruk om en zie de barman, die zich snel in een afgrijselijk lelijk spijkerjackie heeft gehesen. Ik geloof dat ik het voor hem moet uitspellen dat hij op mag rotten.
“Wil mevrouw wel even betalen?”, vraagt hij kleinerend.
“Ik dacht dat alles van het huis was”, zeg ik ijskoud. Wat een onverbeterlijke mierenneuker. Even onthouden dat ik die tent nooit meer binnen ga.
“Alleen het eerste pilsje, mevrouw moet wel de tweede betalen.” De toon wordt steeds dreigender. Ik zie de uitzichtloosheid van de situatie en grijp hem in zijn ballen. Ik draai ze even goed om.
“Ik zorg er even voor dat je de kloten kan krijgen, in plaats van hebben”, zeg ik met de nadruk op ‘kloten’ en ‘krijgen’.
Hij wil in elkaar krimpen aan zijn gezicht te zien, maar hij blijft me stijf in de ogen staren.
“Betalen, graag”, zegt hij koel. OK, andere tactiek dus. Ik laat zijn genitaliën los.
“Het spijt me. Gaat het weer een beetje? Het was niet mijn bedoeling, maar…” Ik haal snotterend mijn neus op en geef hem mijn geslagen-hondblik. “Ja, de psychiater vindt ook wel dat ik vooruit ga, maar soms schiet het er even in. Ik moet nog steeds de dood van mijn man verwerken en dat doe ik met agressie. Sorry, het spijt me, kan je me het vergeven?”
“Gecondoleerd, dat wist ik niet, maar kan je nu betalen? Ik moet weer aan het werk”, vraagt hij begripvol.
“Ik heb een veel beter idee”, roep ik vrolijk. “Ik geef je de beste pijpbeurt die je ooit in je leven zal meemaken! Ik zal je zo oraal bevredigen dat je blijft steken in het moment. Een ommekeer in je leven. Een fin-de-siècle-gevoel waar je U tegen zegt.”
Hij zegt niks, maar hij is omgeslagen. Hij omarmt mij en leidt mij naar een stil steegje. Hij gaat met zijn rug tegen de muur staan. Ik geef hem vele kussen in zijn bezwete nek en ondertussen help ik hem uit zijn jas. Ik hou het jasje vast terwijl ik langzaam door mijn knieën ga. Ik leg het jackie naast me neer, maak zijn gesp los en doe zijn gulp open. Ik trek zijn broek tot zijn enkels. Zijn benen zijn donker behaard. Een riekende lichaamsgeur ontsnapt als ik zijn onderbroek omlaag trek. Hij zegt niets, maar hijgt hevig. Ik begin zijn linkerbovenbeen te kussen. Ondertussen bind ik één van zijn veters vast aan het koppelstuk van zijn gesp. Ik leg er een goede knoop in. Toen ik nog bij de scouting zat (tijdverspilling overigens) noemden ze een dergelijke knoop een ‘oud wijf’. Ik besef dat ik nooit meer last van hem wil hebben, dus ik maak er een goede knot van, een massagraf van oude wijven. Ik wacht niet op zijn opmerking “Pijpen, trut, of hoe zit dat?”, maar grijp zijn jasje en zet het op een lopen. Ik hoor hem schelden en tieren.
Dan vang ik de frase “Vuile hoer” op. Ik stop met rennen en bedenk wat ik zal doen. Niemand noemt mij ongestraft hoer. Ik ben geen hoer en zal het ook nooit worden. Ik loop terug naar het steegje en zie hem stuntelen met mijn creatie. Hij staat met zijn kont naar me toegekeerd. Met alle agressie die ik heb opgespaard voor dit ene moment schop ik mijn naaldhaak zo diep zijn anus in dat hij geheid enige inwendige darmbloedingen eraan overhoudt. Hij schreeuwt het uit. Ik wrik heen en weer, tot de naald afbreekt. Ik pak hem bij zijn onderbroek beet en gooi mijn volle gewicht naar achteren. Hij valt voorover, terwijl zijn benen nog aan zijn onderbroek hangen. De boxershort scheurt onder het gewicht en levenloos stuiteren zijn benen op de grond. Ik gooi hem zijn gescheurde short naar het hoofd en trek mijn schoenen uit. En dat allemaal voor een lullig biertje. Is het nu zo moeilijk om een zo doorzichtige hint te begrijpen? Ik loop rustig op mijn blote voeten weg.
Daar sta ik weer, met een nieuwe spijkerjack en zonder schoenen. Misschien hebben ze in dat café, waar ik van plan was heen te gaan, nieuwe schoenen voor me. Er valt altijd wel wat te ruilen. Een mooi, nooit echt gebruikt spijkerjack bijvoorbeeld. Ik loop verder. Alledrie de cafés zijn gelegen in een winkelstraat en tot mijn grote verbazing zit er ook een schoenenzaak. Nu is deze om dit uur dicht, maar dat zal mij niet weerhouden. Ik pak een baksteen van de zoveelste werkzaamheid aan de straat en gooi hem door de ruit. Er begint een alarm te loeien. Camera’s zullen er wel niet zijn en desnoods lul ik me er wel uit op het politiebureau. Ik neem de tijd, terwijl ik passende schoenen uitzoek. Ze zijn wel wat prijzig, maar dankzij een aanbieding van gemeentewerken nu volledig gratis. Voila, ik ben weer helemaal het heertje.
Ik sta weer buiten de etalage. Ik voel dat er een portemonnee in de door mij toegeëigende jas zit. Er zitten een paar honderd pietermannen in. Die steek ik in eigen zak en de portemonnee met waardeloze pasjes gooi ik achteloos door het gat in de ruit. De politie zal er wel raad mee weten. De winst voor vanavond is nu niet onaardig. Een lelijk spijkerjack, zo’n 200 gulden op de kop af en splinternieuwe naaldhakken. Het wordt tijd dat ik nu echt aan het werk ga. Eerlijk gezegd heb ik niet zo’n zin om nog lang in deze straat te blijven, dus ik zal wat vervoer moeten zoeken. Een grote weg met veel auto’s is mijn nieuwe doel.
Precies 2 minuten later sta ik er bij één. Ik gooi het spijkerjack bij iemand in de tuin en laat de weggebruikers genieten van mijn mooi gevormde schouders. Binnen een recordtijd(kut, vergeten te klokken!) stopt een Jaguar voor mijn neus. Redelijk merk, niet echt elite, maar ik vertik het om nog langer te wachten. Het raampje aan de achterbank gaat elektrisch open. Een gedistingeerde man op leeftijd kijkt me vriendelijk aan. Hij vraagt of ik mee wil liften. Hij heeft een glas whisky in zijn handen. OK, het is een oude vent, maar hij heeft een minibar en een chauffeur. Ik ben gelukkig. Ik stem in. De chauffeur stapt uit en leidt me naar mijn deur. Sierlijk stap ik in en we rijden weg.

Leave a Reply