Lekker Ding - Hoofdstuk 7
Gepost door jorrit in Fictie op 2 december 2001Hoofdstuk 7
Met de afstand van zijn armlengte sta ik achter de buschauffeur, zodat ik hem kan sturen, maar geen grijpgrage vingertjes hoef te ontwijken. De chauffeur zwijgt de hele rit en commando’s, die ik hem geef, accepteert hij met een hoofdknik.
Hoewel we door de stad heen enkele malen dichtbij een sirene horen, is er geen haast bij. Het is de bedoeling dat ik undercover blijf, dus onopvallend terugsneak naar huis. De kans is klein, maar mijn nimmer falende geluk is groot, dus parkeer die reusachtige bus maar voor de deur, hoor.
We rijden mijn straat in en ik zie gelijk een nieuw probleem steeds groter worden casu quo naderen.
“Stop de bus!”, beveel ik hysterisch.
De buschauffeur luistert en stopt de bus.
“Achteruit! Rij achteruit!”, schreeuw ik, nog steeds in shock.
De chauffeur draait behendig de bus in de reverse-stand de straat weer uit. Hij zegt niks en dat is maar beter ook, want ik moet nadenken. Koortsachtig welliefst. Voor mijn deur staat een bataljon politie te wachten op niemand minder dan mij, want ik denk dat mijn huishoudster geen strafbaar feit heeft gepleegd in de afgelopen pakweg 24 uur. De vraag is alleen waarom ze er preciés staan en waar ik mogelijk berecht voor zou moeten worden. Dus ik kan niet anders dan mij in het hol van de justitiële leeuw begeven en poolshoogte nemen.
Ik zucht, geef de chauffeur een dreun op zijn neus, waar hij meer aan zal moeten doen dan slechts liefkozend gewrijf en stap nijdig de bus uit. Ik voel wat zweetdruppeltjes langs mijn haarlijn kruipen, maar negeer het en tippel met mijn opwindendste loopje naar mijn huis. Ik zie dat de verhuiswagen weg is en het huis van de vroegere buurman bewoond wordt door nog immer een onbekend individu.
“Moet u hier zijn?”, vraagt een agent met een snor, waarmee hij sprekend lijkt op het stereotype bullebak.
“Nee, ik woon hier”, lieg ik en wijs naar het buurhuis. “Wat is er aan de hand?”, informeer ik.
“We zijn op zoek naar de maîtresse van Guggenheimer, die ook enkele andere delicten op haar naam heeft staan. Naar het schijnt heeft ze een man mishandeld met een naaldhak, zich onbeschoft gedragen in een restaurant, een zwerver ernstig verwond en een oud dametje naar de intensive care getackeld. Weet u iets over haar te vertellen?”, vraagt hij mij.
Godverdomme. Ik zou godverdomme nu wel duizendmaal hardop kunnen herhalen en mij roekeloos kunnen storten in de massa uniformen, maar ik moet vluchten. Er is geen redding. Mijn geluk is op. Ik ben het kwijt. Ik ben verloren. Help mij! Iemand? Iemand misschien? Denken moet ik nu. Ik moet denken. Waar ga ik heen? Wat moet ik doen? Welke stappen zal ik ondernemen? Wie vertrouw ik? Ik vertrouw niemand. Wie kan mij helpen? Guggenheimer is verdwenen. Die moet nu zijn eigen hachje zien te redden. Mijn huishoudster? Zou zij mij kunnen laten schuilen? Nee, zij is nog dommer dan het achterwerk van een incontinente ezel. Zij zal mij nog verraden voor de knipoog van een willekeurige adonis. Ik moet een keuze maken. De bullebak kijkt al enigszins wantrouwend naar mij. Ik zal hem eerst antwoorden en daarna snel beslissen.
“Nee, ik heb haar eigenlijk nooit gezien. Het is altijd heel stil en rustig. We zijn erg tevreden over haar als buurvrouw. Nooit herrie of iets. Ik slaap graag vroeg, weet u? Dat vind ik fijn. Vroeg slapen”, zeg ik als een zogenaamde gezellige babbelaar.
“Ja ja, ik snap het”, antwoordt de bullebak afwezig.
Mooi, de sukkel is erin getuind. Nu moet ik snel een volgende stap maken. Ik hoop dat mijn buurman of buurvrouw of god mag weten wat het is thuis vertoeft. Dat is de enige kans, die ik heb. Oh God, wees mij nog eenmaal genadig. Ik bid tot u in mijn gedachten. Laat mij vrij zijn. Ik stap naar de deur en bel aan. Ik voel de argwanende ogen van de bullebak in mijn rug priemen. Ik draai me om en stel hem tevreden met: “Ik ben mijn sleutels vergeten. Stom hè? Ik hoop maar dat iemand thuis is. Oh, ik ben ook zo vergeetachtig soms. Kent u dat?”
De agent verzuimt te antwoorden en loopt weg. Dank u, God. Nu de deur nog.
Boven de deurbel hangt een metalen naambordje. In zwarte letters staat er KRONJEE op gedrukt. Wat een zotte achternaam. Ik zou de mensheid echt hekelen om iemand zo’n achternaam te geven. Wie het ook is, hij of zij is mijn enige redding. Doe open in godsnaam!
Ik hoor achter de deur het gerammel van een sleutelbos en de deur klikt enkele malen, voordat hij wordt geopend. Voor mij staat een adolescent met krullend slecht gekamd haar, een gekromde rug, een lullig brilletje dat te laag op zijn neus staat, pukkels in het gelaat en een doorleefde kop. Hij doet slungelig en verlegen aan.
Niet iemand om van te houden, maar goed genoeg om te misbruiken. Hij kijkt afwachtend naar mij. Ik zet onmiddellijk een stap over de drempel, zodat hij niet de deur voor mijn neus kan dichtsmijten, maar hij verzet zich.
“Laat me binnen, zak!”, roep ik.
“Waarom zou ik?”, vraagt hij retorisch en duwt mij.
Ik ben de wanhoop nabij. Als hij me niet binnenlaat, zal ik nog meer argwaan wekken bij mijn politievriendjes hiernaast, dus ik kan niet anders dan hem een tongzoen geven om zijn verzet te doen verslappen.
Ik voeg de daad bij de gedachte, spring bovenop hem, geef hem een zoen op de mond en probeer mijn tong tussen zijn tanden te wurmen. Even knijpt hij zijn gebarsten lippen stijf op elkaar, maar uiteindelijk geeft hij toe en blind smijt hij de deur achter mij dicht. Ik ben gered!
Meteen laat ik hem los en fatsoeneer mijn kledij. Ik proef een smerige smaak in mijn mond. Deze jongen rookt. Blech!
Even staart hij volledig verbouwereerd naar mij, maar hij herstelt zich zichtbaar. Met zichtbaar bedoel ik dat hij zijn hoofd schudt, terwijl hij zijn lippen los mee laat zwabberen. Het is een geestig schouwspel.
“Wie ben jij?”, vraagt hij.
Dat is op zich een logische vraag. Ik wil er echter niet te lang over doorkeuvelen.
“Ik ben je buurvrouw”, antwoord ik en stap de huiskamer binnen.
Ik had eerder vandaag de inhoud van de verhuiswagen geïnspecteerd, die bestond uit grote en afgrijselijke meubels. Deze meubels zijn nu chaotisch opgesteld in de huiskamer en de grond is inmiddels bezaaid met bierflesjes van het merk Dommelsch. De gordijnen zijn half gesloten en de kamerlucht is niet geheel zuiver, vanwege rookdampen. Ik neem plaats op één van de versleten stoelen en ga op het randje zitten om niet geheel mijn zitvlak te besmeuren met aftands vuil. Hij loopt voor mij langs en neemt plaats in een lederen stoel, waarin je diep wegzakt als je gaat zitten.
“Interessante manier om iemand welkom te heten in de buurt”, zegt hij verbaasd en ginnegappend.
Hij leunt over de armleuning en graait naar een open pakje shag, dat op de grond ligt. Samson Halfzwaar, zo te zien. Hij draait op een erg vreemde manier linkshandig zijn sjekkie en steekt hem op.
“Kut, een inbrander”, vloekt hij en bewerkt de kegel van het sjekkie met zijn aansteker.
Ik neem hem met verontwaardiging in achtschouw, maar met alle goodwill die ik kan opbrengen laat ik hem zijn zaakje in orde brengen. Hij is mijn laatste hoop zonder dat hij het beseft. Als ik spreek, zal het misgaan, want hij speelt me nu al behoorlijk in op de zenuwen, dus ik hou wijselijk mijn mond gesloten.
Opeens begint hij te spreken: “Ik weet waarom jij hier bent en wat je op je geweten hebt, maar dat neem ik je niet kwalijk. Laat ik één ding voorop stellen. Ik ben geen Guggenheimer of Erik of de bullebak van hiernaast of Harry of Arie of de barman of de lilliputter of de buschauffeur, die met een gebroken neus zit. Ik ben mezelf, want anders is er niet. Ik wil niet meer dat je me zoent.”
Dat is een reeks van beschuldigingen op een rij, maar ik begin me ernstig af te vragen waar hij in godsnaam die namen vandaan heeft gehaald. Is het een zieke voyeur die mij de afgelopen dagen intensief achtervolgd heeft? En die voyeur is nu zojuist naast mij komen wonen? God is mij geenszins genadig.
“Wat ben je? Een voyeur of zo?”, vraag ik minachtend.
“Ik ben geen voyeur, maar ik ken je wel. Ik zie het leed wat je lijdt. Geen man is er voor jou en door al die pijn die ze je aandoen verhard jij jezelf. Je sluit je af voor iedereen en zal laten zien wat voor een vrouw je bent. Eentje die zelfstandig is en denkt haar eigen boontjes te kunnen doppen. Dat gaat je ook zeer goed af, maar het maakt je niet gelukkig. Het zal je nooit gelukkig maken. Je mist de liefde, maar bent bang het op te zoeken”, zegt hij met zijn ogen gefixeerd op die van mij.
Help!
Hij neemt een trek van zijn sjekkie en blaast het uit richting plafond.
“Luister nu goed naar mij. Ik wil je wat zeggen”, mompelt hij.
Bruusk schiet hij uit zijn stoel en gaat tussen de flesjes in het midden van de kamer staan. Hij spreidt zijn armen en zet zichzelf op één knie. Uit bescherming schuif ik over mijn kussen naar achteren en nagel mezelf vast aan de armleuningen met mijn handen.
Hij schraapt even grondig zijn huig en kucht een paar maal. Eindelijk zegt hij met een brok in zijn keel:
“Met pijn en moeite gezocht
edoch gevonden
Jij, jaren onverknocht
en toch verbonden
geen kans zonder hoop
nochtans zonder foob
wees jij van mij
dan zal mij
wezen van jij”
Bij het laatste woord valt hij voorover en blijft roerloos liggen. Ik sta op en draai hem om. Zijn neus bloedt, omdat de brug van zijn bril in zijn neus is geboord door de val. Zijn borstkas is bewegingloos, dus ik concludeer dat hij niet meer ademt. Ik kniel naast hem en luister naar zijn hart, die vervagend klopt. Kadoenk. Kadoenk. Kadoenk. Kadoenk…
“Ik hou ook van jou”, fluister ik, val neer en probeer te slapen, opdat ik nooit meer hoef te ontwaken.
