Archief voor november, 2001

1688 woorden

Pandora’s Doos

Gepost door jorrit in Fictie, Op verzoek op 17 november 2001

Geschreven voor Noortje

Zij liep daar en ik liep naast haar. Wij waren de eersten. Wij zouden nooit de laatsten zijn, zo was ons verteld. Er werd van ons verwacht een stempel te drukken op het aardse bestaan. We zouden een mijlpaal zonder gezicht worden in een geschiedenis, waarvan ik nog geen weet zou kunnen hebben.
“Het is wel mooi hier, nietwaar?”, vroeg ze aan mij.
We stonden stil op een heuvel bedekt met zacht mos, dat onze naakte voeten streelde, en keken uit over een kleurrijk landschap, waar volop flora in bloei was. De vogels kwinkeleerden en achter ons snoof een wild varken in het struikgewas. Zij pakte mijn hand vast.
“Ja”, antwoordde ik dromerig.
Ik kneep in haar hand en zij in de mijne. Ik kende haar net, zojuist waren onze eerste woordjes door de ledigheid opgenomen en toch hield ik zielsveel van haar. Dit had allicht verscheidene oorzaken, zoals het koploperwezen en de drang naar voortplanting, maar ik was niet van plan mij door dezen van de wijs te laten brengen. Zij ook niet. Zij hield niet van mij. Ik zuchtte zwijmelend.
Ze staarde mij bedenkelijk aan en omhelsde mij. Ik voelde haar borsten tegen mij aan geplet worden en de warmte, die ze afgaven. Ik legde mijn armen om haar heen en drukte haar steviger tegen me aan. Ik wou dat dit moment vereeuwigd zou worden. Ik wou dat de Dood ons op kwam zoeken en ons in elkaars armen liet sterven, maar het Geluk was er niet. Ze liet los en ik liet haar los.
“Wat zullen we doen?”, vroeg ze enthousiast.
“Wat jij wil. Ik sta open voor suggesties”, antwoordde ik, nog steeds hopend op een herhaling van het Moment.
Ze wroette een beetje in het gras, maar vond niet wat ze zocht.
“Zullen we de boel een beetje gaan verkennen?”
“Dat moet tenslotte ook nog gebeuren”, antwoordde ik zuchtend.
We liepen rond.
Ik nam de omgeving in mij op en spuwde het uit. Alles wat ons beloofd was, was er. De schoonheid was misselijkmakend. Bomen en planten groeiden weelderig en de geluiden die dieren in de omgeving voortbrachten waren een harmonie van oorstrelingen. Er zaten flierefluitende vogels in de bomen rechts, voor ons kwakende kikkers en links tjirpende krekels in het struikgewas. Zij en ik hadden een band, maar het maakte mij droevig. Ze wisten wat Liefde was, maar kenden geen klaagzang. Ik liet mij vallen op het gras en staarde naar de zon.
Overal lag dat vervloekte gras en dat zachte mos. Ik deed mijn ogen dicht. De zon danste en werd donker. De rest was wit. De zon spleet open en kreeg armen en benen. Ik ontsloot mijn ogen.
“Zullen we verder gaan, lamzakje?”, glimlachte ze tussen haar hangende haar.
Ik krabbelde omhoog en kneep in haar glooiende billen. Ze pruilde haar lippen, maar het sloeg om in een lachbui. Ik sloeg mijn arm om haar schouder en tilde haar op. Ze gaf gewillig mee en giechelde toen ik haar optilde.
“Madam, mag ik deze dans van u?”, grapte ik.
Ik draaide rondjes, terwijl ik nauwgezet mijn evenwicht bewaarde met haar in mijn armen.
“Stop, stop, ik kan niet meer!”, gierde zij.
Ik kon zelf ook niet meer, dus dat gevoel deelden wij. Ik zakte door mijn knieën en zij viel bovenop mij. Het deed haar nauwelijks pijn om op mij te landen. Ze lachte zelfs harder dan ooit te voren. Het wrange Geluk maakte mij zo nietig dat ik moest bulderen van het lachen. We schalden de hele tuin van Eden bij elkaar. Alle dieren verstomden bij ons gekrijs en we hielden maar niet op. Ik kietelde haar en zij kietelde mij terug. Ik voelde haar warmte en wreef over haar borst.
“Sta op, mijn kinderen”, donderde het. Voor het eerst stuurde de thamalus een signaal naar de amygdala, die op zijn beurt de productie van cortisol en adrenaline stimuleerde. Mijn hart begon sneller te kloppen en mijn spieren spanden zich. Mijn belichaamde liefde ervoer hetzelfde en schrok tegelijkertijd met mij op. Dit was angst.
“Hoi!”, donderde het niet meer, maar klonk het aangenaam. Boven ons hing een vriendelijke schaduw in de gedaante van een vrouw. Het figuur was mooi en bleef niet onopgemerkt.
“Hallo daar, kleine man”, riep de schaduw. De schaduw boog voorover en bekeek aandachtig mijn geslachtsdeel. De angst sloeg om in schaamte.
“Wat ben ik ook onbeschoft. Ik heb me niet eens voorgesteld. Ik ben Pandora. Let op, je spreekt het zo uit: Pàn-deur-ra. Ik heb daar al veel problemen mee gehad”, verklaarde zij met haar hoofd zwaaiend van verbaal gekreun.
“Ik zal erop letten”, verzachtte ik.
“En wie zijn jullie? Als ik de ladder van onbeschoftheid verder mag beklimmen?”, vroeg ze.
“Ik ben Adam”, zei ik. Ik zette mijzelf op mijn benen en trok mijn beminde omhoog door haar arm vast te klemmen.
“En dit is Eva. Wij zijn mensen”, introduceerde ik haar.
“Goh”, stootte Pandora uit. Er was stilte en de zang van de vogels zwol aan. Ik staarde voor mij uit en vroeg me af wat het woord Einde toch betekende. Pandora schuifelde een beetje en ademde merkbaar in om met een gesprek te beginnen, maar halverwege murmelde ze iets en zakte terug in haar overpeinzingen. Eva keek vol concentratie naar Pandora’s lippen.
“Hoe voelt dat nou? Mens zijn?”, vroeg Pandora als laatste uitvlucht.
Eva bleef geobsedeerd naar haar lippen turen. Het was duidelijk dat ik de vraag mocht beantwoorden.
“We zijn pas mens geworden. Daarvoor waren we niets. Het is wel een avontuur”, antwoordde ik, eigenlijk nietszeggend.
“Klinkt leuk”, zei Pandora. We hadden net zo goed over het weer kunnen praten, want dat is ook immer hetzelfde. De omgeving was benauwend en ik zocht wanhopig naar gespreksstof. Ik voelde me ongemakkelijk, maar was blij dat elk woord op deze manier een betekenis kreeg.
“Wat zijn jullie van plan om te gaan doen? En mag ik meedoen? Ik voel me een beetje alleen, zo”, vroeg Pandora met droevige ogen.
Eva bestudeerde haar gezicht verder en wederom was ik genoodzaakt om te antwoorden. Ik had hier absoluut geen zin in.
“We zijn het hier nog een beetje aan het verkennen. Als we wat gevonden hebben om in te wonen, gaan we het daar leefbaar maken”, verklaarde ik.
“Ik ken de omgeving hier! Kom op, volg mij!”, riep Pandora. Ze draaide zich om en marcheerde naar een nog onbekend doel. Eva volgde gretig en ik slofte gewillig achter ze aan.
We stopten bij een knoestige boom, die alle pracht van het landschap leek te ontsieren. Desalniettemin hingen er sappige vruchten in, waarschijnlijk sappiger dan enig andere boom in deze tuin.
“Dit is de Boom. Ons is verboden van deze boom te plukken”, legde Pandora uit.
“Onder ons vallen Eva, jij en ik, begrijp ik?”, treiterde ik, vragend naar de bekende weg.
“Ja”, antwoordde ze naïef.
Ik gaf de Boom een schop. De Boom klonk hol van binnen.
“Volgens mij leeft hij niet meer”, constateerde ik.
“Doe niet zo mal”, siste Eva.
Meer en meer zag ik de volmaakte schoonheid van de Boom. Het ruige uiterlijk en zijn volle vruchten verborgen de alles vernietigende Dood. De Boom intrigeerde mij, maar ik durfde niks aan de dames over hem te vragen. Ik moest zelf zijn geheim vinden.
Eva was geenszins bezig met de Boom. Ze keerde zich naar Pandora en vroeg: “Als wij mensen zijn, wat ben jij dan?”
De twijfel stond in Pandora’s ogen. Eva had duidelijk een hachelijk onderwerp aangesneden en ik was naarstig op zoek naar een antwoord voor Pandora. Toch antwoordde zij, voordat ik iets kon verzinnen: “Voordat ik jullie ontmoette, dacht ik dat ik een aap was. Ik lijk meer op jullie, dus ik zal wel mens zijn”
“Leuk hoor”, liet Eva over haar tong rollen.
Ik bleef immer meer van haar houden.
“Oh wat mooi”, slaakte Eva.
We keken met zijn allen naar de avondschemering aan de horizon. De goudkleurige zon liet de lucht voor een laatste maal geel en oranje oplichten. We genoten van het moment.
“Kom, ik laat jullie een plaats zien om te overnachten”, doorbrak Pandora ons moment van romantiek.
Mijn lichaam verlangde naar slaap, dus ik was het roerend eens met Pandora’s voornemen. Ik sloeg een arm om Eva, maar zij kroop eronderuit. “Dan niet”, bedacht ik mopperend. Pandora en Eva namen het voortouw en ik sloot wederom de optocht af.
Pandora zette het op een loopje met een klein gilletje en Eva spurtte haar huppelend achterna. Recalcitrant begon ik te sjokken. We kwamen aan bij een plek beschut door kromme bomen. De ondergrond was een laag bladeren en uit de grond getrokken mos.
“Hier woon ik al enige tijd. Ik hoop dat het ook voldoende is voor jullie”, legde Pandora uit.
“Ik heb niks te klagen”, wilde ik zeggen, maar ik werd bruut onderbroken door Eva: “Natuurlijk is het voldoende! Het is zelfs perfect!”
Pandora liet zich vallen op de laag bladeren en groef zich bevallig in. Ik en Eva volgden haar voorbeeld. Ik keek omhoog en zag de takken van de bomen innig verstrengeld in elkaar. Ik probeerde er eentje vanaf de oorsprong te volgen tot zijn uiteinde, maar viel halverwege in een diepe slaap.

Ik werd wakker met de slaap in mijn ogen. Het was donker. Ik probeerde te verklaren waarom ik zo vroeg al wakker werd, terwijl ik toch best geriefelijk sliep. De verklaring was snel gevonden. Naast mij lagen twee dames - maar die benaming waren ze niet meer waard - giebelend elkaar te bestrelen. Eva wapperde met haar haren en kreunde van genot, terwijl Pandora nauwgezet, maar gretig aan haar borsten sabbelde. Alle hoop verliet mij en hoorbaar stond ik op. Ze schonken geen aandacht aan mij.
Ik strompelde naar de Boom en legde mij tegen de stam. Ik plukte een peer uit de Boom en bekeek zijn glans. Ik hoorde Eva in de verte krijsen van plezier en ik nam een hap uit de peer. Het sap liep langs mijn wangen en een worm knarste tussen mijn tanden. Ik was gelukkig, want de woorden hadden een betekenis gekregen en mijn gevoel was niet langer naamloos.