Laat me sterven tot ik dood ben
Gepost door jorrit in Fictie op 30 juli 2001Het was druk op straat. Dit kwam door het jaarlijks terugkerende stadsfeest. Decennia geleden was deze stad bevrijd van één of andere oorlog en dat moest gevierd worden. Volop bier en dankzij de aanhoudende warmte een hoop onthullend geklede dames. Ik zette mij op een terrasje en keek naar de markt. Nerveus stonden marktkoopmannen hun waar tegen fantastische prijzen aan te bieden aan onwetende toeristen. Ik floot door de kleine spleet tussen mijn twee voortanden en gooide mijn hoofd achterover. Ik zag aan de hemel dat de schemer begon in te vallen. Weldra zou het donker zijn en zouden de lantarens ontstoken worden. Daar was ik tenslotte voor gekomen, het nachtleven. Bepakt met een grote hoeveelheid geld, dat ik nog in muntjes moest omzetten, zou ik mijn lichaam eens teisteren met allerlei soorten cocktails. Ik ledigde mijn glas, stond op en legde te veel fooi neer. Door de menigte baande ik mij een weg richting muntjesautomaat. Ik voelde de drang om een sigaret op te steken, dus ik haalde mijn pakje Marlboro uit mijn jaszak. Net toen de sigaret wilde smeulen door de warmte van mijn vergulde trouwe aansteker stootte iemand mij aan. “Sorry”, mompelde de voorbijganger en vervolgde snel zijn weg. Ik deed nog een poging en weer werd ik aangestoten. Deze echter was onbeschoft en kon alleen een stom glimlachje op zijn smoel toveren. “Driemaal is scheepsrecht”, verzuchtte ik en probeerde het een derde maal. Nu was het een flinke wind die mijn sigaret deed uitwaaien en ik besloot om in een rustig naast mij gelegen steegje mijn Marlboro te doen ontvlammen.
De geur van urine en andere penetrante, maar onherkenbare luchten kwamen mij tegemoet, toen ik het steegje binnenliep. Ik leunde tegen een muur en stak mijn sigaret aan. Op het moment dat ik wilde weglopen zag ik een lichtflits in mijn rechterooghoek. De maanloze nacht bleek ingevallen te zijn, want ik kon nauwelijks meer iets onderscheiden. Voorzichtig zette ik een stap verder in het steegje. Ik hoorde een rat piepen en ik voelde iets langs mijn voeten heen schieten. Ik keek naar mijn voeten, maar ik zag mijn spierwitte gympen niet meer, vanwege de ingevallen duisternis. Toen ik weer naar voren keek, zag ik een man zich uit de duisternis vormen. Hij groeide en groeide en zijn armen reikten naar mij. Ik deinsde achteruit, maar ik viel over een kartonnen doos. Op handen en voeten probeerde ik de winkelstraat te bereiken, die niet meer was dan een klein lichtpuntje. Waar was het felle licht van de lantarens gebleven? Wie had de oorverdovende muziek uitgezet? De man kwam mijn kant op en alles om hem heen werd donker, zwarter dan zwart. Hij leek niet meer dan een schaduw, zelfs zijn oogwit was niet te zien. Bij elke lichtstraal die hij absorbeerde groeide hij meer en meer. Toen stond hij voor mij en haalde zijn vuist naar mij uit. Ik ontweek en riep: “Laat me met rust”. Achter mij voelde ik een glibberige brandtrap, waar ik tegenaan was gekropen. Ik hees mezelf omhoog en spurtte de trap op. Ik gleed uit en mijn kaak raakte een metalen tree. De man pakte mijn enkels vast en sleurde mij stuiterend naar beneden. Ik wilde roepen, maar ik kon niet meer praten vanwege mijn gebroken kaak. “Hel-l-l-”, stotterde ik zachtjes.
“Leeft hij nog?” was het eerste wat ik hoorde. Ik deed mijn ogen open, maar slechts één wilde open. Ik raakte mijn ooglid voorzichtig met mijn vingertoppen aan en bemerkte dat het dik was geworden. Ik spuugde wat bloed. Iemand zei: “Gaat het, meneer?” en ik maakte een afwimpelend handgebaar, toen ik merkte dat mijn tong aan mijn verhemelte geplakt zat door gestold bloed. “OK, uit elkaar, uit elkaar”, zei een politieagent die naast mij in de kring mensen ging staan. “Hier valt niks te zien. Gaat het, meneer?”, herhaalde deze. Ik negeerde de vraag en krabbelde omhoog. “Kunt u zich identificeren?” Ik greep in mijn binnenzak, maar kon mijn portemonnee niet meer vinden. Ook mijn aansteker, die in dezelfde zak zat, was verdwenen. “Niet?”, vroeg de agent. Ik schudde mijn hoofd. “Komt u maar mee naar het bureau, dan gaan we u verzorgen en uitzoeken wie u bent.” Hij trok me mee naar zijn wagen en toen ik in de auto stapte dacht ik: “Naar de psychiater met die claustrofobie van mij.”
